Zeg …

De wereld ligt aan je voeten
het strand onder de stoep
deze korting is speciaal voor jou
volg je hart, dan gaat het goed

liefde overwint alles
ze vechten voor vrede in Iran
iedereen ziet dat het niet waar is, maar
niemand zegt er wat van.
 

(laatste regel uit ‘Strand’ van Ted van Lieshout)

Advertenties

Mijn missie

Lichtvoetig wals ik over alles heen, zwerf van hier naar daar, fladder van de een naar de ander. Ik doe maar wat en klets me overal uit. Het brengt me niets op.

Ik heb eindelijk gezien, werkelijk gevoeld, hoe ik mijn lege bestaan zin kan geven.
Wat bakker Pluygers doet, dat wil ik ook. Ik heb mijn missie gevonden.
Me ervan bewust ik daar wel iets voor moet doen zoek ik het grootste en scherpste mes uit. Een stapel oude kranten is mijn oefenmateriaal.

Met het puntje van mijn tong uit de mond doorklief ik met mijn mes de vouwranden van de kranten. Na vele uren oefenen lukt het me om rafelloze randen te creëren. Ik onderwerp de stukken papier aan een grondige inspectie en zie dat het goed is. Dit is geschikt verpakkingsmateriaal. Ik weet het zeker; ik heb talent. Ik word bakker.

Annonces

De minister-president vernam de aankondiging van een aanstormend koufront en pakte onmiddellijk zijn emmertje en zijn schepje, deed zijn Frozen-strandponcho aan en stapte op de boulevard in de klaarstaande limousine.

Thuis bouwde hij met legosteentjes een torentje en vulde het met barbies. Hij speelde ermee tot zijn moeder riep dat hij moest komen eten. Hmmm … frietjes, appelmoes en doperwtjes, daar hield hij van.

Purk & Plurk

Plurk zit verveeld uit het raam te kijken. Zijn zus Purk is bezig met ingewikkelde berekeningen.

Om van de Orionarm naar de Sygnusarm te vliegen zouden ze in totaal 100.000 lichtjaren onderweg zijn. Er zitten er nu 18.000 op. Purk heeft een fout gemaakt; de invloed van de galactische zuigkracht veroorzaakt door de oerknal heeft ze niet ingecalculeerd waardoor ze nu van de geplande route afdrijven.

‘Purk, zullen we dat potje schaak waar we vorige week mee begonnen afmaken? Ik verveel me.’
‘Daar heb ik nu geen tijd voor, of wil je er soms 200.000 lichtjaren over doen om bij de Sygnusarm te komen? Zeur toch niet zo. Ga liever iets nuttigs doen.’
‘Ik kan niks.’
‘Doe dan niks.’

Plurk zucht en kijkt door zijn intertelescopische overdrivebril omlaag. Hij zoomt in op een flatgebouw op een planeet onder hem waar wezenloze wezentjes existeren. Een gezin kijkt naar een beeldscherm. In het appartement boven hen plakt een man met duct tape een vrouw aan het plafond. Als hij daarmee klaar is gaat hij weg om sigaretten te halen. De vrouw sluit haar ogen. Het duct tape laat langzaam los en de vrouw valt plat op de vloer.
Het gezin onder hen vliegt van schrik van de bank waar ze op zitten. De twee kinderen huilen. De vader stelt ze gerust door een grapje te maken. ‘Ach, er laat vast iemand een purrekie uit z’n neus vallen hahaha.’

Plurk doet hem na. ‘Ha … ha … hahaha. Haha. Hahaha!’ Elke keer dat hij hahaha zegt treedt zijn depressie meer en meer naar de achtergrond. Hij voelt zich zelfs een beetje blij. Zijn mond blijft nu in een bijna permante glimlachstand staan. Hij kijkt naar Purk. Ze mompelt binnensmonds, loopt heen en weer, schrijft iets op een vel papier om het daarna resoluut weer door te strepen en nog meer te mompelen. Zweet staat op haar voorhoofd en ze stinkt.
‘Purrekie,’ fluistert Plurk. ‘Purrekie Purrekie Purrekie.’
Hij duikt op Purk af. Gepassioneerd schopt hij haar het ruimteschip uit.

Een gezin kijkt naar een beeldscherm. Een meteoriet slaat in op vier kilometer afstand van het flatgebouw. Twee kinderen huilen. De vader stelt ze gerust door een grapje te maken.

Getroffen

Daarnet heb ik haar voor het eerst geproefd. Ze smaakt en geurt naar mango. We strelen elkaars handen, verkennen elke vinger minutieus. Als ze via mijn handpalm het kuiltje in mijn hand beroert stroomt ze door mijn lijf en tintelt het.
Ze zegt me te wachten. Trillend voldoe ik aan haar wens. Ze loopt bevallig de trap op, de spanning opvoerend met elke trede die haar voeten beroeren.

Deze avond mag ik haar zacht verlichte kamer betreden. Ze wenkt vanaf het hemelbed. Ik ben permanent gevangen in haar verwarmende cocon van vloeibare aanrakingen.
In een hoek van de kamer, op een zwartgouden Louis Quinze-stoel, onderscheid ik een duif. Hij draagt een gleufhoed en leest een boek. ‘Comment puis-je chier sur les gens’ lees ik op de omslag. De duif duwt zijn zonnebril even omhoog om naar me te knipogen.

Met mijn hoofd schuif ik de buik van mijn muze omhoog. Ik vouw haar schaamlippen opzij. Het bloed stormt door mijn hoofd. Mijn lichaam schokt schreeuwend.
Terwijl ik haar knieën masseer met mijn zaad kijk ik haar, volkomen gelukkig, aan.
Ze tast onder haar kussen. In het schemerlicht schittert een Smith & Wesson Magnum.

Een doodnormale dag in een rijtjeshuis

Melissa gilt, Jeffrey bonkt met zijn hoofd tegen de muur, de hond blaft zenuwachtig.
Ria zet de tv op vijfendertig.
Ik zoek een onlangs gedownloade compositie op mijn Ipod en zet hem aan. Langzaam voer ik het volume op. 
Een sponzige luchtstroom trekt zichtbaar het gegil en gebonk de speakers in. Melissa en Jeffrey zijn nu figuranten in een holografische stomme film. Ria zoekt nieuwe batterijen voor de afstandsbediening, de hond druipt af.

Mijn telefoon licht op, er is een appje van de buurman.
‘Wil je je stilte wat zachter zetten? Ik kan hier niet eens behoorlijk een gesprek voeren.’

© 03-01-2018