De postduif

Tijdens zijn werk haalde hij de woede van veel mensen op zijn nek door banden van scootmobiels die in de weg stonden lek te pikken, in brievenbussen te flatsen, plaatjes uit catalogi te scheuren en tijdens elke ronde agressief zijn cloaca tegen die van Keet Koekert, de aan lagerwal geraakte knuffelduivin van de buurt, te schuren. Hij gaf haar dan een postzegel die ze inruilde voor een shot.

Advertenties

Pensioen

Hij schiep er voldoening in het voetvolk te stangen. In de virtuele wereld van de doffer valt daar via een gecompliceerd puntenstelsel goed mee te verdienen. Excessen worden beloond met aircoins, en de Duif verdiende er genoeg om na zijn pensioen een vlucht naar Honolulu te boeken.
Samen met Keet Koekert wil hij daar de rest van zijn leven boeken lezen en biologische groentecocktails drinken.

In V-formatie nadert een vlucht wraakzuchtige homo sapiëns. Boven het koppel op het strand blijven ze hangen, stil als kolibries. De leider laat als eerste zijn broek zakken en mikt.

31776201_1721508631296874_4146708641304543232_n
foto: Marij Smeets

Ongelovige Thomas

‘Kijk hoe stevig het is!’ roept Thomas en hij staat al op het ijs. In het midden van het bevroren meertje is een wak.
‘Kom terug Thomas, ‘t is gevaarlijk.’
Thomas’ wangen zijn rood. Zijn vingers tintelen. ‘Echt niet! Dat wak is gemaakt voor de eenden mama, ik ga ze mijn boterham geven.’ Hij loopt naar het wak, het ijs kraakt en scheurt onder zijn voeten. Thomas lacht en springt over de scheuren heen. Daar krijgt hij het lekker warm van. Zijn linkerbeen glijdt onder zijn lijf vandaan. Zijn rechterbeen plaatst hij zo stevig op het ijs dat hij er doorheen stampt. Water bijt gemeen door zijn spijkerbroek in zijn been en kruipt gloeiendkoud om de rest van zijn lichaam heen. Wanhopig beweegt hij zijn ledematen richting de oever. Hij rilt, hij klappertandt, hapt naar adem, slikt ijskoud water.

Een grote gebronsde man doemt voor hem op. Hij draagt een lendendoek. Er is vuur om hem heen.
‘Wie ben jij?’ vraagt Thomas.
‘Ik ben meneer Tan, Thomas. Simon Anton Tan om precies te zijn.’
‘Kan ik wat dichterbij komen, meneer Tan? Ik heb het zó koud.’
Meneer Tan buldert van het lachen en reikt hem zijn hand. Aan het uiteinde van de arm van meneer Tan zitten hoeven. Tom pakt een hoef vast, het brandt zijn vingers! Meneer Tan blijft zijn diepe donkere lach lachen. Hete tranen stromen over Toms wangen. Zweet stroomt uit al zijn poriën. Een arm om zijn buik trekt hem weg van de hoef. Meneer Tan stopt met lachen. ‘Laat hem los, hij is van mij. Had hij maar beter moeten luisteren, deze ongelovige.’

Het vuur achter hem dooft, meneer Tan wordt alsmaar kleiner terwijl de arm Thomas wegtrekt.
‘Mama? Mama … ik heb het zo koud. Waar is mijn boterham?’

Dagelijkse beslommeringen van een postbode

Na een paar uur kom ik aan bij het eerste postadres van mijn wijk en spot daar mijn collega van PostNL. De wijk waar ik post bezorg ligt aan de overkant van het kanaal, en om daar te komen moet ik deze dagen kilometers omrijden. De dichtstbijzijnde brug is onbereikbaar door werkzaamheden. Het lijkt erop dat mijn buurt wordt afgezonderd van de rest van de stad; men komt er nauwelijks in of uit. Het zal me niet verbazen als ik morgenochtend wakker word en er staat plotseling een muur met prikkeldraad voor mijn huis.

‘Hé, wat gezellig dat ik je weer zie, ’t is anders toch maar een eenzaam beroep hè, postbode.’ De vorige keer dat ik haar zag hebben we gemoedelijk staan roddelen over te lage brievenbussen (Ze heeft hier een klacht over ingediend, ik wist niet dat dat kon, klagen over brievenbussen. Wel over hondenpoep, licht- en luchtvervuiling, kiespijn of je ex), voortuintjes die net geen tuintjes zijn maar wel net te groot om met je fiets doorheen te stiefelen, kliko’s die in de weg staan en meer van dat soort dingen die wij zoal tegenkomen. Vandaag vraagt ze me: ‘Waarom kom jij niet voor ons werken?’ Met ‘ons’ bedoelt ze PostNL, dat moet ik even laten bezinken. Ik zie de organisatie waar ik voor werk niet zozeer als een ‘ons’.  Zo niet mijn collega van PostNL, voor haar is het ‘ons’. Ik moet wat overwinnen voor ik haar vertel dat ik wel eens bij ‘jullie’ heb gesolliciteerd maar dat ‘jullie’ mij niet willen. Zij behoort immers tot die clan die mij niet goed genoeg bevond om brieven in brievenbussen te stoppen. Het voelt een beetje persoonlijk aan, dat ge-ons en ge-jullie. Net of ik bij haarzelf heb gesolliciteerd.
Een vrouw op een fiets interrumpeert ons gesprek. ‘Sorry dat ik stoor, maar ik heb gisteren per ongeluk een postzegel doormidden gescheurd. Ik dacht er helemaal niet bij na. Ik vind het zo erg … ik zal voortaan wat beter opletten.’
‘O dat geeft niet hoor,’ antwoordt mijn collega, ‘volgende keer beter.’ Ze draait zich weer naar mij toe en vertelt dat ze postzegels verzamelt.  ‘Ik heb bij iedereen een briefje in de bus gedaan waarin ik vraag of ze de postzegels voor mij willen bewaren. Postbode zijn heeft zo zijn voordelen.’ Terwijl we staan te keuvelen doet ze een stap naar achteren. ‘Sorry, ik kan niet zo goed tegen wat daar staat, wat jij daar in je handen hebt’.  Ik kijk naar mijn stapeltje post en zie inderdaad een afgrijselijke jurk op de catalogus die bovenop ligt afgebeeld.  ‘Ik bedoel die letters’, zegt ze.
‘O, je bedoelt Sandd?’
‘Ja.’
‘Hahaha!’
‘Wij moeten altijd jullie zooi opruimen, jullie maken er een puinhoop van!’
‘Huh?’
‘Ja, wij zitten nu met al die enveloppen van de ING, die komen bij ons terecht, dat hoort niet en nou zitten wij ermee.’
‘Ach, ik maak me daar niet zo druk om. Ik krijg de post aangeleverd, sorteer het en breng het rond.’ Ik heb niet zo’n zin om me op te winden over dit soort futiliteiten. Ik wil gewoon lekker in het zonnetje buiten lopen. Of straks als er geen zon is, met een dikke jas aan, ook goed. Ze dringt nog eens aan op mijn wisseling van werkgever en ik leg haar uit dat ik het fijn vind om deze wijk te lopen en dat ik dat graag zo wil houden. Het zal mij allemaal een worst wezen. Ik ben zen. Ze werpt tegen dat er bij PostNL geen belasting wordt betaald en bij ‘ons’ wel. ‘Deze wijk loop ík natuurlijk al’ zegt ze, ‘dus ja, die krijg je niet. Ik doe het al tien jaar!’ Ze heeft wel een vette fiets, een veel betere dan de mijne. Die van haar blijft staan als ze haar standaard gebruikt. En ze heeft ook zo’n geinig PostNL-petje. Die heb ik niet. Ze heeft zo’n irritant zelfverzekerde houding die mensen hebben wanneer ze het gevoel hebben dat ze ergens bij horen. Dat heb ik ook niet. ‘Heb jij er nooit over gedacht om in die tien jaar je gebit eens op te laten knappen of een bh aan te schaffen? PostNL doet ook niet aan fitness zie ik wel?’ Kwaad trapt ze weg. Als ik verder ga met mijn ronde ruk ik alle postzegels die de mensen voor haar met een post-it aan de brievenbus geplakt hebben los en rol ze door de hondenpoep.

Wanneer ik klaar ben met mijn werk wil ik over die verre brug terug naar huis, maar die brug heeft nu een storing. Niemand kan ook daar overheen. Mijn voorgevoel klopt, mijn buurt wordt gesepareerd. Ik draai wat rond en besluit een brug te nemen die nóg verder weg ligt. Als ik op mijn fiets stap hoor ik vieze vettige kusgeluiden die me toegesmiespeld worden door een man op een bankje aan het water. Ik ben echt veel te oud voor dit soort toespelingen.
Ik geef hem vanaf mijn fiets een flinke sidekick en werp daarmee een mistwolk van overjarige huidschilfers op waarin ik verdwijn. Net als de weg naar mijn huis.

Lieve mama,

Het is fijn om te zien dat je nog steeds zo hartstochtelijk kunt lachen als ik je Koekiemonster noem. Je had mooie muziek voor ons uitgezocht. Jammer dat wij het niet konden horen, omdat het in je hoofd speelde.
Sorry dat je gebit brak toen Jesse en Jochumpje ermee gingen ringgooien. Ze verveelden zich nogal zonder Wifi. Nou ja, de thuiszorg zal dat wel oplossen.
Tot volgend jaar mam. Dikke zoen.

De kip en de bij, een voorleesverhaaltje

BillyBilly de bij ligt te soezen in de slaapkamer van de jongen. De jongen is niet thuis, en Maja en hij hebben er een wilde nacht opzitten in het bed van de jongen. Daar komt de vrouw, een stofdoek in haar hand. ‘Ach arm bijtje’, mompelt ze en ze veegt hem op en neemt hem mee naar buiten waar ze hem bijna verzuipt in een plas suikerwater. Godsgloeiende nu plakt hij helemaal. Billy fatsoeneert zich en strompelt weg. Zijn kruis voelt nog gekneusd aan. Daar is Kakel de Kutkip. ‘Hap!’ zegt Kakel. Dag Billy.

Vijf vijf

Als schapen lopen Milan en ik met 98 anderen het houten gebouw binnen. Onze toegangsbewijzen worden nauwkeurig gecontroleerd. De barak staat noordelijk op het terrein en er wacht ons hier iets heel bijzonders. Wat precies, dat weten we nog niet. Als de laatste binnen is sluiten breedgeschouderde beveiligers de deur en schuiven er een balk voor. Ze posteren zich voor deze deur, de enige deur.

‘Hallo geluksvogels!’ klinkt het. We richten onze ogen op de man op het podium. ‘Jullie zijn uitverkoren om deze bijzondere happening bij te wonen, wat ongetwijfeld de annalen in zal gaan als legendarisch. Het briljante gezelschap dat jullie gaan zien en horen is geschoold aan het conservatorium en dat is te merken. Na afloop zal de ambassadeur jullie exclusief toespreken. Hij is per helikopter onderweg. En dan nu, een groot applaus voorrrrr … The Saxonian Vegaschnitzels met als special guest, Betty Brullborst!’ De postmodernistische jazzband terroriseert vanaf dat moment non-stop onze basilaire membranen. Indringende hoge en lage tonen wisselen elkaar in totale willekeur af. Een gesprek voeren is onmogelijk. Na anderhalf uur marteling zet Betty Brullborst de hoge C in. Glazen spatten uit elkaar. Een hipstermeisje steekt net uit protest haar middelvinger naar de band op, precies in de aanvliegroute van een gesprongen wijnglas. Het topje van de vinger belandt in een asbak. Haar bloed dooft een halfopgerookte joint.

Dan horen we het geronk van de rotorbladen van een helikopter aanzwellen. Zou de deur eindelijk opengaan? Milan kijkt mij aan en schudt zijn hoofd. Zijn hoop verdween nadat voor de derde keer Goodnight Saigon werd ingezet. Deze keer komt de beveiliging in beweging. De mannen praten in hun headsets en lopen heen en weer. Eindelijk schuiven ze de zware balk van de deur en we struikelen over elkaar heen de vrijheid tegemoet. Buiten springt Ronnie Flex uit de helikopter. Volledig ge-autotuned spreekt hij ons toe: ‘O-Oké, ik heb vier vijf bitches aan de lijn prr, prr. Pull up, ben met vier vijf niggas aan m’n zij yuh. Stapel al m’n money, ik bestel geen ene trein.’
‘Zijn we een dag te vroeg?’ ‘Wat is er met die trein?’ Mensen praten door elkaar en stellen vragen. Ronnie zegt alleen nog dat hij gaat knallen en stuitert het festivalterrein op. De geur van platgetrapt gras en gekruid eten prikkelt onze zintuigen, even verderop is het feest. We gaan los.