Ongelovige Thomas

‘Kijk hoe stevig het is!’ roept Thomas en hij staat al op het ijs. In het midden van het bevroren meertje is een wak.
‘Kom terug Thomas, ‘t is gevaarlijk.’
Thomas’ wangen zijn rood. Zijn vingers tintelen. ‘Echt niet! Dat wak is gemaakt voor de eenden mama, ik ga ze mijn boterham geven.’ Hij loopt naar het wak, het ijs kraakt en scheurt onder zijn voeten. Thomas lacht en springt over de scheuren heen. Daar krijgt hij het lekker warm van. Zijn linkerbeen glijdt onder zijn lijf vandaan. Zijn rechterbeen plaatst hij zo stevig op het ijs dat hij er doorheen stampt. Water bijt gemeen door zijn spijkerbroek in zijn been en kruipt gloeiendkoud om de rest van zijn lichaam heen. Wanhopig beweegt hij zijn ledematen richting de oever. Hij rilt, hij klappertandt, hapt naar adem, slikt ijskoud water.

Een grote gebronsde man doemt voor hem op. Hij draagt een lendendoek. Er is vuur om hem heen.
‘Wie ben jij?’ vraagt Thomas.
‘Ik ben meneer Tan, Thomas. Simon Anton Tan om precies te zijn.’
‘Kan ik wat dichterbij komen, meneer Tan? Ik heb het zó koud.’
Meneer Tan buldert van het lachen en reikt hem zijn hand. Aan het uiteinde van de arm van meneer Tan zitten hoeven. Tom pakt een hoef vast, het brandt zijn vingers! Meneer Tan blijft zijn diepe donkere lach lachen. Hete tranen stromen over Toms wangen. Zweet stroomt uit al zijn poriën. Een arm om zijn buik trekt hem weg van de hoef. Meneer Tan stopt met lachen. ‘Laat hem los, hij is van mij. Had hij maar beter moeten luisteren, deze ongelovige.’

Het vuur achter hem dooft, meneer Tan wordt alsmaar kleiner terwijl de arm Thomas wegtrekt.
‘Mama? Mama … ik heb het zo koud. Waar is mijn boterham?’

Advertenties