Indoctri natie

Ha gezellig, post van mijn verzekering, dacht ik toen ik vanmorgen een mailtje kreeg van ‘Uw Verzekering’. Ik vond het ook fijn dat ik met U werd aangesproken.
Mijn Verzekering vroeg me of ik wel voor al mijn spullen verzekerd ben. Ik kreeg argwaan. Verderop las ik allerlei doomscenario’s over wat er allemaal kan gebeuren met Jouw in de loop der jaren verzamelde meuk. Mijn Verzekering probeerde me in mijn broek te laten urineren van angst. Hij weet natuurlijk niet dat ik een aluminium honkbalknuppel naast mijn bed heb staan.
Ik stuurde ‘Uw Verzekering’ een antwoord:

Hartelijk dank voor Uw spontane berichtje. U zou toch, als Mijn Verzekering, wel moeten weten of ik voor al mijn spullen verzekerd ben? Ik begrijp de vraag niet zo goed.
Mocht het zo zijn dat U Mijn Verzekering niet bent, dan zou Uw gezellige berichtje in mijn mailbox binnenkomen met in de eerste dertien letters en de tussenliggende spatie een onwaarheid. Wij noemen dat in de volksmond liegen (zes letters). Ik vraag me af waarom iemand die mij niet kent denkt: ‘Ah, die mevrouw Matula, daar ga ik vandaag eens lekker tegen liegen.’ Het lijkt me zelfs een beetje raar.
Ik krijg vaker post van mijn verzekering, die spreekt mij aan met ‘U’. Ik denk dat dat is omdat ik als klant gerespecteerd wordt maar dit even terzijde. Het deed mij twijfelen aan de oprechtheid van Uw berichtje.
Kunt U wellicht opheldering geven over bovenstaande? 

Ik weet natuurlijk best wat ze willen. Ze willen mijn geld. Eerst maken ze me bang en dan schudden ze mijn zakken leeg. Indoctrinatie is het.

Over doctoren gesproken, mijn bloedjes van kinderen zijn, zoals het hoort, allebei gevaccineerd. Toen de oudste drie was begon hij heel lelijk te hoesten. ‘Kinkhoest’ diagnosticeerden de artsen. We kregen apparaten en medicijnen om de benauwdheid te verlichten. De kinkhoest zou vanzelf weer overgaan zei de dokter. Dat gebeurde na een aantal angstige maanden.
Zelf nadenken, zo’n rebelse daad was indertijd nog niet in me opgekomen. Decennia na de kinkhoestaanvallen van mijn zoon dacht ik: ‘Huh? Hij was daar toch tegen ingeënt? Hoe kan het dan dat hij toch …?’
Ik ging steeds meer nadenken, en dat beviel me wel. Er zijn jaren geweest dat ik het nadenken als hobby bestempelde. Uiteindelijk werd ik van nadenken niet heel erg gelukkig. Je gaat je allerlei dingen afvragen: ‘Zit er hier niet iemand te liegen? Waar begint het einde van de tafelpoten? Wat moeten ze van me? Wat is wetenschap?’
Wetenschap; een stelling poneren en dan argumenten verzamelen om de stelling te onderbouwen.
Als het gaat om het wetenschappelijk onderbouwen van de werking van vaccinatie tegen mazelen zegt men dat na het landelijk invoeren hiervan in 1976 de ziekte nauwelijks meer voorkomt. Dat klopt. Wat niet verteld wordt is dat de mazelenuitbraak op zijn hoogtepunt was in 1908 met 1576 sterfgevallen, waarna het geleidelijk afliep tot zestien in 1966, het jaar waarin ik werd geboren, niet ingeënt, de mazelen kreeg en overleefde, naar één in 1975 en één in 1976, het jaar waarin iedereen gevaccineerd werd. In 1977 stierven vijf mensen aan mazelen en de daaropvolgende jaren regelmatig een, twee of nul.
Klaas Dijkhoff, deskundige, want hij heeft net zijn dochtertje laten inenten, zegt hierover: ‘Voor ons klinken de mazelen als iets uit een Lucky Luke-stripverhaal. In de realiteit zijn de mazelen een dodelijke ziekte.’
Het is heel aannemelijk dat hij zo denkt, want hij is van ver na 1976 en heeft nooit meegemaakt dat zijn halve klas rondliep met rode vlekken in het gelaat en dat niemand daar hysterisch van werd.
Ik vermoed dat Klaas meer verstand heeft van budgetteren. Meer dan ik. Ik maak hier desondanks een losse berekening:
In 2011 betaalde Artsen Zonder Grenzen € 0,19 per mazelenvaccin (hier wordt dan nog winst op gemaakt). Een BMR-vaccin wordt hier verkocht voor ongeveer € 33,00. As ik allerlei vage inflaties en hogere inkoopkosten meeneem schat ik de productiekosten van het BMR-vaccin ruim in op € 3,00. Zo hebben we het hier over een winstmarge van meer van vijfeneenhalf miljoen euro per jaar. Dat dient koste wat het kost beschermd te worden. Daar hebben we een minister van defensie hard voor nodig. Hij pleit dan ook voor verplicht inenten.

Artikel 11 van de grondwet luidt: ‘Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.’
Het feit dat in 2020 ieders lichaam na de dood ter beschikking wordt gesteld van de eerdergenoemde wetenschap zonder dat je eerst een hoop toeren moet uithalen om dat te voorkomen als je dat niet wilt was al een discussiepuntje.
Verplicht een spuit laten zetten, hoe ziet men dit voor zich? Als een meisje nee zegt, bedoelt ze nee.

Advertenties

IJskoud

‘Ben je er klaar voor?’ Blije emoticons zweven over het scherm van mijn IPhone. Ik glimlach en leg de telefoon weg om nog tien minuten intelligent naar mijn computerscherm te kunnen staren. Het bureau is opgeruimd, mijn collega’s zijn al weg. Walter heeft toch al de pik op me dus ik houd me strikt aan mijn werktijden. Een duif trippelt heen en weer op de vensterbank.

Walter stampt binnen en neemt plaats op mijn bureau.
‘Je bent klaar voor het weekend hè. Ik zie het aan je. Altijd ruim vóór tijd klaar. Blablabla Waldorfsalade.’
‘Blablabla Waldorfsalade?’
‘Even checken of je wel oplet. Heb je misschien wat van je kostbare tijd over om me ergens mee helpen?’
‘Nou … als het niet te lang duurt. Ik moet zo, het is bijna …’
Walter haalt zijn geslachtsdeel uit zijn broek en wijst naar een etterende puist op zijn eikel. Aangekoekt smegma in blauwgroen met sliertjes donkerrood schilfert in zijn Calvin Klein.
Ik pak een tissue en houd die voor mijn neus.
‘Kijk, Elly, hier kan ik niet mee thuiskomen.’
‘Eh … nee. Dat lijkt me ook niet.’ Ik krijg een opvlieger. ‘Ik ben bang dat ik hier geen algoritme op los kan laten, Walter.’
‘Doe iéts Elly, ik loop er al maanden mee rond.’ Walter wiebelt met zijn piemel spetters tegen mijn beeldscherm. Koud zweet maakt plekken in mijn blouse.
‘Misschien kun je hier beter mee langs de huisartsenpost.’

Tarik roept vanuit het keukentje. ‘Elly! Ben je klaar? Vergeet die USB-stick niet.’
‘Welke USB-stick?’ vraagt Walter. ‘Heeft dit iets te maken met dat data-lek?’ Kwijl schuimt langs zijn kin. Zijn ogen kleuren donker.
‘Ik, ik … ik heb geen USB-stick Tarik!’ roep ik naar de keuken.
Tarik loopt mijn kantoor binnen en overziet de situatie. Vanonder zijn djellaba haalt hij razendsnel zijn Smith & Wesson Magnum met geluiddemper tevoorschijn, richt op Walter en raakt de duif. Bloederige veren dwarrelen omlaag. Walter springt op en struikelt over zijn broek. Dit keer is er een voltreffer.

‘Wil je een ijsje?’ vraagt Tarik me als we buiten zijn.
Ik weet de USB-stick veilig in mijn handtas.
‘Ja, een Magnum lijkt me lekker.’

Is er nog tijd om de balans op te maken?

tijd1Op een zomerdag, bij zonsopgang, verzilvert de klokkenluider zijn wintertijd. Hij schudt er minuten mee uit zijn spaarvarken en telt zijn dagen. Met de opbrengst vult hij een tijdloze koffer, bindt hem op zijn bagagedrager en fietst ermee naar de bank.

‘Ik kom mijn uren opnemen’ zegt hij.
‘Hoeveel wilt u er?’ vraagt de bankemployé. Wijzers draaien rond in zijn irissen.
‘Ik wil alle tijd.’
‘Dat kan ik niet zomaar doen, uw termijn is verlopen zie ik. Ik vraag de manager of hij een momentje voor u heeft.’

Terwijl hij moet wachten concentreert de klokkenluider zich op de zandloper op het bureau. Zijn blik brandt een gaatje in het glas. Een eindeloze hoeveelheid zand verloopt over het bureau op de vloer, door de hallen van het bankgebouw de straten in. Het vult de huizen, kerken, lanen en rivieren, stroomt over akkers en vuilnisbelten en dempt de zeeën, tot alles is omgekomen in de tijd.

Doorgeslagen stoppen

Mijn wijsvinger bibbert boven de enterknop. De vinger zet een punt, een plus, ik haal ze weer weg. Hoe zouden ze reageren?
Bouquetreeks, galmt het. Cliché. Mijn hoofd bonkt. De Tony Chocolonely-reep met de met mascarpone stijfgeslagen slagroom, gevolgd door kaasstengels, borrelt in mijn maag.

Zweetdruppels vervagen mijn blik en druipen op het toetsenbord. Met twee handen pak ik mijn mok kamillethee en knoei over mijn mintgroene badjas met roze hartjes. Paprikachips dan maar.
Ik check voor de zestigste keer het verhaal. Niet te veel effectbejag? Is de interpunctie juist? Staan de komma’s goed? De cursor zweeft boven ‘plaatsen’.

Het knettert tussen mijn oren. Wat schreef ik? Waar ging het over? Ik adem vijf tellen in, houd mijn adem vijf tellen vast, druk op de enterknop en kots mijn emo-voer uit over de laptop. Het beeldscherm spuugt vuur. De lichten doven.

Kippige haai

Hij zet zijn duikbril op, poetst zijn tanden blinkend schoon.
‘Waarom die bril, schat?’
‘Ik ben mijn lenzen kwijt. Ik heb me rotgezocht, maar ja, ’t is als zoeken naar een speld in een hooiberg. Ik kreeg er waterige ogen van. Gelukkig had ik deze nog liggen. Staat me goed, vind je niet? Ik voel me er wel prettig mee, en het biedt bescherming. Weet jij of ze spugen?’
‘Spugen?’
‘Ja, ik heb gehoord dat lama’s spugen. Maar over hen weet ik weinig. ’t Is voor die excursie naar Texel morgen. “Zwemmen met mensen”. Je gaat toch ook mee?’

Kippige haai SjannievandePoel
foto: Sjannie v.d Poel