Ome Gerrie

Koffie klotst over Woody Geelstra’s uniform als zijn collega Cecille Ramlal keihard optrekt. Hij gooit zijn halflege beker weg en zet het zwaailicht op het dak. De rit gaat naar de Veestraat in Zuid, waar hij opgroeide.
De melding is een zes-nul-vijfje op nummer 28. Nummer 28? ‘Gas erop, Ramlal! Dit is het adres van ome Gerrie. Hij, een onnatuurlijke dood gestorven?’
‘Je stinkt uit je bek, Geelstra. Ik heb liever dat je hem dichthoudt.’
Woody zet zich schrap, Cecille’s rijstijl is onconventioneel.

Hij ziet zichzelf met een bos krullend haar boven blozende wangen, in afgetrapte sneakers. Zijn hoody verwassen. Hij haatte het dat hij de afdankertjes van zijn broers kreeg. Die tijd is voorbij. Met zijn 25 jaar heeft hij het goed voor elkaar. Met vlag en wimpel geslaagd op de politieacademie, en hij volgt een bijscholingscursus als premiejager. Zijn broers hebben het nakijken.
Bij ome Gerrie voelde hij zich welkom. Daar mocht hij kisten timmeren. Samen keken ze series waar hij thuis niet naar mocht kijken. Ome Gerrie trok hem dan op schoot. Voor Woody was er cola en soms mocht hij een slok whisky. Dan viel hij weleens in slaap. Ome Gerrie zal nu rond de zestig zijn.

‘Geelstra! Kom op lapzwans!’ Op straat staan mensen met elkaar te praten, wijzen naar het huis. De deur staat op een kier en Woody loopt achter Cecille naar binnen. De lijkenlucht doet zijn maag omdraaien.
In de woonkamer tikt de oude vertrouwde klok. Het is precies acht uur en de koekoek springt tevoorschijn. Op de bank ligt ome Gerrie met opengesperde ogen. Zijn shirt en de bank zitten onder het bloed. Een gebroken whiskyfles steekt uit zijn hals. De koekoek trekt zich met een mechanisch geluid terug. Ernaast hangt een Peter van Straaten-scheurkalender. 15 Maart, 2003 leest Woody.
Een beweging in de tuin trekt zijn aandacht. Door de smoezelige ramen staart een kleine jongen hem met lege ogen aan vanonder een bos krullend haar. Hij draagt een verwassen hoody met donkerrode vlekken. De jongen pakt een bal op en verdwijnt.

Advertenties

Gefilosofeer in de file

Zodra ik bij Maarssen de A2 opdraai begint het. Ik wentel me in het warme bad van nerveus van baan verwisselende stamppotverlangenden en remlichten. Een kwartier eerder zei ik mijn moedertje gedag. ‘Nee, geen knuffel deze keer, ik ben wat ziekjes en ik wil niet dat jij ook ziek wordt.’ Ze zette haar kleine-meisjes gezicht op en zei kortademig vanwege haar longklachten en bibberend door ouderdom dat haar dat niets uitmaakte. Dan maar ziek.
Ja, zo ben je ook zwanger geworden, dacht ik. Het is maar goed dat er hier iemand oplet. Ik had natuurlijk nog even kunnen blijven, wat ze graag wilde, maar ik stortte me liever in mijn fantasie van ergens bij horen. Rond deze tijd gaat iedereen naar huis, en ik schuif aan. Niemand heeft door dat ik geen haast heb omdat er toch niemand op me wacht. Ik stil mijn honger met filechocola die altijd paraat ligt in het handschoenenkastje.
Onderweg bedenk ik de meest fantastische verhalen, die ik, eenmaal thuis, vergeten ben. Gelukkig maar, het zijn flauwekulverhalen die het vergeten waard zijn. Er zijn verhalen in mijn archieven te vinden die ik wèl geschreven heb en waarvan ik denk: ‘Huh? Heb ik dat geschreven?’

Ik zet de radio aan om me aan de Dj’s te ergeren. Ik beeld me in dat al mijn medeweggebruikers naar hetzelfde programma luisteren, dat geeft een extra dimensie aan het saamhorigheidsgevoel.
Op de brug bij Vianen staat prinses Juliana het de file af te nemen. Ik maak een radslag met mijn autootje. Even verderop check ik op commando van AnaarBeter.nl en knal bijna tegen een aanhanger met kerstbomen op. Bijna, want ik heb winterbanden. Dan krijg ik de tip om op kiesdebesteband.nl te kijken. Heb ik wel debesteband? Ik weet het niet. Iedereen rijdt 45 kilometer per uur dus dat kan ik ook nog wel even checken. Ik word misselijk van de chocola en de Dj’s wauwelen nu over het verzetten van de klok. Mijn gedachten dalen af in een bedenksel dat ik word geïnterviewd over het verzetten van de tijd. Ik ben enorm ad rem en onderhoudend in het vertellen over waarom deze vraag niet interessant is, compleet met anekdotes en semantische filosofieën. Het interview wordt uitgezonden over de hele wereld. De pietendiscussie verstomt, er is geen honger meer en iedereen houdt van elkaar.
Dit is natuurlijk allemaal niet waar, ik word boos op de Dj’s en zet een cd op. Voor de zoveelste keer leer ik een rap uit mijn hoofd. Dat lukt ten dele omdat ik hele stukken tekst, hoewel in het Nederlands, niet versta. Bij ‘hatseflats’ vliegt mijn bovengebit tegen de toerenteller en bij ‘we geven geen fok om een bitch’ ligt mijn ondergebit onder het gaspedaal. Ik zoek nu mijn heil in het geruststellende geratel van de motor. Achter me rijdt een bumperklever met groot licht aan. Er zit een knopje op mijn achteruitkijkspiegel waarmee ik mijn zicht op bumperklevers kan uitschakelen. Ze zijn er dan nog wel, maar ik zie ze niet en dus is het probleem weg. Zo kachel ik in stilte, op mijn dooie akkertje, naar huis. Het was een heerlijke, lange, rit.

Lekker shoppen

Elke ochtend als ze haar bed uitkomt speelt het lege-nest syndroom op. Vandaag niet, vandaag is het Singels Day.
‘Singles Day is ooit ontstaan in China zodat de vrijgezellen een dag hebben om zichzelf eens goed te verwennen. Dit jaar belooft het een spektakel te worden’ leest ze.

Met een pot thee en een trommel koek installeert ze zich enthousiast aan de keukentafel om, samen met alle andere singles der aarde, de hele dag te shoppen. Ze zet de veiligheidsinstellingen van haar laptop op zo-goed-als-ondoordringbaar en gaat op jacht naar een vibrator. Van niet-Chinese makelij. Want ja, dat maatje …

Huisje boompje beestje

Pluisje zit met gekromde rug in de hal voor de deur van onze flat. Zijn staart zwiept. Het klinkt als een hartslag, boem, boem, boem. Hij toont zijn puntige tanden, blaast. Zijn parelwitte vacht is nu donkerrood bevlekt. Met zijn ogen driekwart gesloten, kijkt hij me aan. De hal is gevuld met de verstikkende stank van kattenpis, vlekken van zijn uitwerpselen zitten in het Perzisch tapijt en tegen de muren.
Pluisje blaast en scheurt een stuk vlees uit een armpje. Boem, boem. Ik kan me niet bewegen. Tranen prikken achter mijn ogen, mijn hoofd voelt als koken en mijn knieën zijn slap. Mijn mond staat open, maar het lukt me niet om geluid te produceren.

Roosje sliep, eindelijk, in haar wiegje. Even, heel even maar dommelde ik in. De nacht was kort geweest. Pluisje was snorrend tegen ons aangekropen terwijl ik Roosje voedde en wiegde. Met zijn drieën in een wolk zoete babygeur. Zo was het vannacht.

Iemand loopt de trap op. Voetstappen echoën in het betonnen trappenhuis. Ik hoop zo dat het Steef is. Even is het stil …
Voeten schuifelen, sleutels rammelen.
Pluisje loopt nu heen en weer voor de deur. Zijn ogen wijken niet van de mijne.
Steef zwaait de deur open. Pluisje springt met vier poten tegelijk omhoog en draait zich in de lucht om naar Steef. Hij spint en geeft hem kopjes. Pluisjes blik haakt niet meer vast aan de mijne en ik schreeuw, een geluid dat ik niet eerder hoorde. ‘Stééf!’ Het is hoog en schor tegelijk. Tranen ontsnappen. Ik zet een stap in de richting van mijn man. Steef staat doodstil en kijkt me aan met felgroene ogen.
Weer bevries ik.
Zijn mantel gaat heen en weer, bonk, bonk, bonk tegen de deurpost.
Hij trekt zijn bovenlip op, zijn tanden zijn klein en puntig …

217