Wijzen Uit Het Oosten 3.0

‘Rabi, gooi die joint weg. In de auto wordt niet gerookt.’
‘Shit man, hoe kom ik anders de tijd door? ’t Is een fucking lange reis, gast.’
‘Houd je hoofd helder en je tempel gezond, Rabi. Als je die troep nu niet vaarwelzegt zal het voor altijd te laat zijn. Je gaat dan sowieso niet mee met ons.’
Gafar zit achter het stuur van de bus. WUHO 3.0 staat in gouden letters op de zijkant.  Achterin staan jerrycans met benzine voor onderweg, en een doos met verschillende soorten wierook.
Rabi haalt zijn tas leeg, met tranen in zijn ogen gooit hij zakjes, tabletten en hennep in de afvalbak naast de speelplaats waar de bus is geparkeerd.
‘En dat flesje, Rabi?’
‘Dat is etherisch, Gafar. Het is mijn geschenk aan die maagd. Een eersteklas volkomen natuurlijk desinfecteermiddel. Echt vet. Gescoord bij een groepje hipsters toen ik van de zomer in Kathmandu was.
Jezus, Kalil, wat ben jij dik geworden, gast.’
Kalil schuift rammelend op om plaats te maken voor Rabi. Gouden kettingen onttrekken zijn djellaba bijna geheel uit het zicht. Hij vouwt zijn handen op zijn buik, die wel vierkant lijkt.
‘Dat is het goede leven, Rabi. Mijn muziekuitgeverij doet het geweldig. De Jerkende Twerkers trekt volle zalen en is de meest gestreamde band van het afgelopen jaar. Ik heb goud in handen zeg ik je, goud.’

Gafar start de bus, de Tomtom is ingesteld op Het Westen.
Onderweg praten Gafar en Kalil over het wonder waar ze naar op weg zijn, de successen van Kalil, Russische investeringsdeals en maagden. Rabi kijkt lodderig voor zich uit, produceert af en toe een ondefinieerbaar geluid, zweet, slaapt. Ze leggen hem achterin. Hij rolt zich op in zijn djellaba en kauwt op zijn baard.
De reis is lang, Kalil en Gafar wisselen elkaar af aan het stuur.
‘Ik vind het een ongeloofwaardig verhaal, dat van die maagd’, zegt Kalil. Als het weer niet waar blijkt te zijn dan …’
‘Jij bent altijd zo achterdochtig. Heb vertrouwen, Kalil. De kans is groot dat er een hemel op aarde bestaat, je leest het deze dagen overal op internet. Straks hebben we er een, nog eenenzeventig te gaan.’
Bij parking De Reerug houden ze een sanitaire stop. Ze duwen Rabi met zijn hoofd onder de koude kraan en hij krijgt pepermunt.

‘Bestemming bereikt’ vertelt de TomTom voor een loods op het industrieterrein van Klein Koterbroek. Er is sneeuw gevallen, de bus staat voor een rolluik dat als vanzelf opent. De wind zingt, een verblindend helder licht schijnt naar buiten.
Jozef en Maria zitten onderuitgezakt naar All You Need is Love te kijken als Kalil de bus naar binnen rijdt. In een hoek van de loods huilt een hongerige pasgeborene.
‘Jezus, wat een lucht hangt hier, gast. Gafar, die wierook komt goed van pas.’ Rabi zet zijn zonnebril op. ‘Mèn, wat is er aan de hand met dat licht?’
‘Ledlampen hè,’ zeg Jozef, ‘het moet zo goedkoop mogelijk allemaal. Gezellig is het niet, dat geef ik toe. Hoe was de reis?’
‘Laat die beleefdheden maar achterwege, Jozef.’ zegt Kalil. Zijn ogen vernauwen zich als hij ziet dat Maria verschrikt haar rok omlaag strijkt. Bij de aanblik van de blaasjes rond haar mond worden zijn ogen spleetjes.
‘Hebben jullie toevallig mirre bij je? We vergaan van de jeuk. Een aanvullende ziektekostenverzekering konden we niet betalen dit jaar, misschien volgend jaar, maar daar hebben we nu niets aan.’
‘Hey mattie,’ begint Rabi, ‘toevallig was ik afgelopen zomer chillen in Kathmandu en …’
‘Ik kijk wel even achterin de bus.’ Onderbreekt Kalil hem. Hij duwt Gafar, die net met de wierook uit de bus komt, opzij en klimt naar binnen. Er is nog meer dan genoeg benzine voor de terugweg.
Onder zijn djellaba zoekt hij de rode knop van zijn bomgordel.

Advertenties

De eikel

eikel

Er was eens een eikel
die lag in het bos
Hij rolde door zand, egelpoepjes
en mos

Wat lig ik hier lekker
dacht eikel tevree
Daar heb je er nog een
Nu ben ik met twee

Twee eikels vermaakten zich
tot bloedens toe
Ze speelden, ravotten
nooit werden ze moe

Hoe kon het ook anders
Ze hadden geen hart
Het waren slechts eikels
Die kennen geen smart.

Houten harten

tafelDe eettafel, gemaakt van duurzaam stamhout uit de streek, is gisteren gebracht. Jeanette is er trots op; er is vakkundig handwerk geleverd door de meubelmaker in het dorp en genoeg plaats voor de zeventien mensen waar ze voor gekookt heeft.
Ze doet haar schort af en trekt haar Noorse trui uit. Eronder draagt ze een zwarte zijden top. Onder de oksels zijn donkere zweetplekken te zien.
‘We kunnen aan tafel!’ roept ze richting de luidruchtige familie in de woonkamer.
‘Opa zit te slapen mam’ roept Rikkie terug.
‘Dat boeit me niet. Het is nu klaar en we gaan nu eten. Rijd hem maar in zijn rolstoel naar de tafel.’
‘Maar hij kwijlt, ieuw.’
‘Doe hem een slabbetje om.’

Jeanette serveert haar zelfgemaakte bisque d’hommard uit. De kommen dampen.
‘Ik zet de tuindeuren even open’ zegt ze. Haar ogen smoren elk weerwoord in de kiem. Een druppel valt van haar neus in de soep als ze plaatsneemt. Met haar IPhone stuurt ze stemmige kerstmuziek de ruimte in. ‘Oh Danny boy’ speelt zacht op de achtergrond. Barry, de reeds benevelde neef, ziet de tafel sidderen. Hij zegt niets, zijn vrouw zeurt al zo vaak over zijn drinkgewoontes.
De tafel golft nu. De hele familie valt stil, iedereen ziet het. Wedgewood glijdt weg, gloeiendhete soep stroomt in schoten. Barry redt drie wegschuivende glazen wijn. Een hoek van de tafel krult omhoog, een poot strekt naar voren.
‘Maaaam!’ roepzeurt Rikkie. De poot schuift hem opzij.
Aan de andere kant van de tafel trapt een tafelpoot opa hard naar achteren. Zijn ogen springen wijd open. Zijn achterhoofd knalt tegen de muur, kerstrood bloed spat tegen het sneeuwwitte granol. Tegelijkertijd schiet zijn gebit uit zijn opengevallen mond de kroonluchter in. Opa’s ogen sluiten weer.
‘Opa!’
‘Vader!’
‘Bel 112!’

De tafel schudt zich uit en draaft de tuin door naar het woud. Een paarhonderd meter het bos in blijft ze staan voor een indrukwekkende zilverspar. Haar nerven vormen een glimlach. Dan richt ze zich op.
‘Danny, lieverd, ik heb je zo gemist.’ Haar poten ronden zich om zijn robuuste stam, ze schuurt tegen zijn bast omhoog. Danny vouwt zijn naaldtakken om haar heen.
‘Hoe is het met ons kindeke?’
Danny wijst naar een frisgroen dennenboompje dat schuin achter hem staat, beschut onder zijn brede takken. Een glinsterende ijspegel ploft in het mos. Een ster knipoogt, de eerste sneeuwvlokken vallen.

Sint 2.0

‘Ik loop al honderden jaren in hetzelfde, nu wil ik eens iets anders.’
‘Deze ziet eruit alsof hij vijfentachtig keer te heet is gewassen. Dat is geen rood meer, dat is ro…’
‘Ik vind het prachtig. Kijk toch, het flatteert me. De kinderen zullen er snel aan wennen. Ik wil dit jaar ook iets doen aan mijn entree, zo’n paard is hopeloos ouderwets.’

Er wordt hard geklopt, zacht geklopt. Kleine Johan rent naar de voordeur. Niets. Het kloppen gaat door, het komt van boven. Hij sluipt naar zijn slaapkamer.
Klop, klop, klop …

‘Mahaaam! Sinterklaas zit in de kast!’