Het is begonnen

Ik moet wel, voor het echt niet meer gaat. Ik heb een plek gekozen waar niet veel mensen zullen zijn. Het bos is ideaal, maar daar is het te druk. Misschien zullen er onschuldige kinderen getuige zijn van mijn daad. Ik trek de voordeur zacht achter me dicht zodat niemand me hoort vertrekken, start de auto en rijd stapvoets de straat uit, zonder mijn lichten aan te doen. Al snel komt de uitspanning waar het gaat gebeuren in zicht.
Op de parkeerplaats is niemand, hier en daar staat een verlaten bolide. Voorzichtig loop ik om de auto heen en haal mijn materiaal uit de achterbak.

Stiekem trek ik de wandelschoenen aan en start de app op. Ik heb het redelijk goed ingeschat. Hier zijn slechts enkele zielen te bespeuren. Toch moet ik voorzichtig zijn.
De mensen zijn vooral met zichzelf bezig en lopen met een grote boog om me heen. Na een meter of vijfhonderd bevind ik me, samen met twee pensionado’s, op een doodlopend pad dat omringd is door water en rietplanten. We lachen er gedrieën om. Hahaha. Ik, met mijn wandelapp, mijn GPX-viewer en gememoriseerde knooppunten. Het valt allemaal wel mee, denk ik na deze sociale interactie. Opgelucht wandel ik terug, mijn rug iets rechter, mijn gemoed wat luchtiger.
Voor me loopt een stel met twee honden. Ze houden geen afstand van elkaar. Die zullen dat ’s nachts ook wel niet doen, de viespeuken. Ik kijk naar ze met mijn nepglimlach, want zo hoort dat wanneer je als wandelaar elkaar ontmoet, en een groet op mijn tong. Elkaar gedag zeggen is onder wandelaars net zo gangbaar als vrachtwagenchauffeurs die elkaar op de snelweg toeseinen. Er is iets gemeenschappelijks dat je deelt, en zo laat je je waardering voor de gemeenschappelijke bezigheid aan de ander kennen. Je voelt je verbonden met die ander. Ga maar eens naar een concert. Iedereen is blij, danst en zingt. De menigte pept elkaar op met positieve energie, wordt vrolijker en knuffeliger naarmate het concert vordert en voor je het weet lig je met een of meerdere medeconcertgangers te rollebollen. Maar ik dwaal af. Over afdwalen gesproken, ik loop in Moerenburg. Er is geen moer aan. Tenminste, niet de route die ik heb uitgestippeld. Ik zie hier en daar een zijweg die me erg trekt maar durf daar niet naartoe te gaan, bang als ik ben te verdwalen en nooit meer thuis te komen. Mijn veilige, warme, virusvrije nest zou voor altijd onbereikbaar zijn. En wat moet ik dan? Ik kan niet eeuwig op mijn wandelschoenen blijven ronddolen.

De zon schijnt in mijn tranende ogen. Ik wrijf die tranen weg en ontwaar meerdere wandelaars op mijn pad die me tegemoet komen. Niemand zegt gedag en de mensen kijken me achterdochtig aan. Ik heb geen hond bij me (jij ook niet, lul, WTF loop je me aan te kijken?) en denk erover er even snel op Marktplaats eentje te scoren. Gewoon voor de zekerheid.
Het is duidelijk: Het elkaar de hersens inslaan is weer begonnen.