Dag

Mijn zoon, jij was daar niet
toen ik afstand nam
van alles, van leven
van pijn, mij als man

Je was jong je speelde
je lachte je dacht
aan cola bij mama
aan mij elke nacht

Waarom toch die afstand
jij daar en ik niet
Waarom toch niet anders
geen benul van verdriet

Ik kon het niet dragen
jouw afwezig zijn
je zus en je mama,
dag lieverd, blijf klein.

Advertenties

Dat komt binnen

Als de bel gaat doe ik open,
zei hij stoer en vastberaden,
vanachter zijn designerbank,
de handen voor zijn ogen.
Ze zien me niet, ze zien me niet,
riep hij dan door het raam.
De postbode liep zijn huis voorbij
en niemand belde aan.
Hij gluurde door de brievenbus,
nog steeds met ogen dicht.
Die ochtendkrant van zaterdag,
benam hem toen het levenslicht.

Lief dagboek,

(een fragment uit 2039)

Vanmorgen kwam N. op de koffie. Nou ja koffie, het is ook niet meer wat het geweest is. N. kwam dus op de cichorei. Vroeger kwam N. nog wel eens op mij, maar ook dat zit er niet meer in. Iets met zijn prostaat. Hij kan er uren over bomen. Ik zet dan al snel mijn gehoorapparaat uit want, hé, hij doet het niet meer, wat moet ik nog meer weten? Ik probeerde N. nog mee te lokken de tuin in, zodat we wat te doen hadden en zijn ‘probleem’ niet het enige gespreksonderwerp van de dag zou zijn. Maar zijn rug en zijn hart en ach en wee. Ik deed stiekem wat wodka door zijn cichorei. Hij spuugde het meteen uit op mijn antieke originele Ikea-tapijt. De viespeuk. Ik wilde de boel alleen maar een beetje opvrolijken. Hij riep dat ik hem wilde vergiftigen en dat ik nooit zou veranderen en dat hij me zou aanklagen. Plotseling was hij wel mobiel. Weg was ‘ie. Nou ja, niks aan verloren.
Vanmiddag heb ik de verpleging geholpen met het wassen van de bedlegerigen. Ik moest wel, vorige week kreeg ik ook al geen toetjes. Om vier uur was ik helemaal kapot en deed een dutje in de hal. Ik werd wakker gemaakt door R. toen iedereen al aan de cichorei zat, het avondeten had ik gemist.
Vanavond woog ik 49 kilo.
B. en M. weer niet gebeld vandaag.

De date

Zijn hoofd bonkte, bloed kleurde zijn Armani. Hoe had hij zo dom kunnen zijn? Hij sloeg tegen zijn voorhoofd.
‘Au! Verdulleme!’
Had hij maar naar Roderick geluisterd, was hij maar met zijn Porsche gegaan en had zo’n straatjochie een paar eurootjes toegestopt om erop te passen. Maar nee, hij moest zo nodig indruk maken. Hij moest op zijn Trek Yoshitomo Nara naar ‘De Hipster.’
‘Sla hier linksaf’, had het navigatiesysteem geklonken. Het stuur trilde, het navigatiesysteem schoof er langzaam vanaf. Hij bukte en reikte ernaar. Het voorwiel van de fiets botste tegen de stoeprand. Boudewijns klokkenspel stootte tegen het puntige zadel. Aargh! Mon Dieu, dat wordt niks vanavond, dacht hij nog. Het achterwiel van de fiets lichtte op, Boudewijn stortte zijdelings tegen een brandkraan aan. Liggend op de stoep spuugde de fiets een veer in Boudewijns oog. Boudewijn hees zich omhoog, trok zijn ene ongeschonden voet naar achteren om hem met de laatste krachten die hij bezat tegen het frame aan te schoppen. De fiets nam wraak door schuin omhoog te vliegen, tegen Boudewijns scheenbeen aan. Hij gaf het op en hinkte verder naar ‘De Hipster.’ De fiets bleef achter, in de goot.

Met zijn pochet stelpte Boudewijn onderweg het ergste bloeden. Terug naar huis gaan was geen optie. Ilse, dacht hij, Ilseeee … haar naam in zijn hoofd stuurde verende kussentjes naar zijn voeten. Zijn mondhoeken schoten omhoog. Daar was ‘De Hipster’, daar was Ilse.
Boudewijn struikelde het opstapje op, greep de deurknop en knalde met een schouder tegen de glazen toegangsdeur. Die zwaaide harder dan de bedoeling was open. Boudewijn viel naar binnen. De kussentjes waren verdwenen. Hij krabbelde omhoog en bewoog zijn hoofd van links naar rechts. Ilse was er nog niet. Boudewijn strompelde naar de bar.
‘Garçon, hé! Hallo? Hé, Lullo! Geef mij eens een espresso doppio, en doe er maar een Courvoirsiertje bij, dat kan ik wel gebruiken.’
‘Hier, gast.’ De barman zette een flesje glutenvrij bier op de bar en legde er een theedoek naast.
Boudewijn pakte het flesje en bleef er even met zijn neus boven hangen, zoog de geur van het brouwsel op. Hij nam een slok, zijn mond trok strak omlaag en zijn neus omhoog, hij kneep zijn ogen samen. Hij schoof het bier van zich af. Hoe laat was het? Hij checkte zijn iPhone, alles wat hij zag op het scherm waren barsten op een zwart vlak.

Acht flessen glutenvrij bier later dacht hij even, in een flits, dat hij Ilse zag vanuit zijn ooghoek, bij de deur. Verdrietig vlijde hij zijn hoofd weer op de theedoek. ‘Ach schatje toch, och lieverd, we hadden het zo fijn samen’ mompelde hij tegen zijn iPhone.

Stinkende Zaken

Langzaam werd de geur van dennennaalden verdrongen door een geur die ik nooit meer zou vergeten en nog dagenlang op mijn huig zou blijven liggen. Ik verliet het wandelpad en liep een stukje verder het bos in. Plotseling zag ik Langnek met zijn hoofd onder zijn arm achter Sneeuwwitje aanrennen. ‘Takketrut dat je d’r bent!’ riep hij. In zijn buik zat een gat, druppels vleeskleurige massa dropen langs zijn benen. Zo te zien had hij bij Toko Tut de derderangs sushi gegeten. Visgraten vermengden zich met de resten van Langneks smeltende romp.
Sneeuwwitje lachte hysterisch en zwaaide met haar Jawa Ionization Blaster. Langnek minderde vaart, struikelde. Hij schreeuwde en smeet zijn hoofd naar Sneeuwwitje. Het hoofd kwam enkele meters voor haar op de grond terecht en stootte tegen een beukenboom. De takketrut schopte ertegen met haar Timberlands en rende verder.

Mijn maaltijd van die avond kroop mijn slokdarm in. Ik slikte.
Loom en zwaar sloop ik naar het hoofd. De lippen bewogen.
‘Stil maar,’ zei ik. ‘Het komt goed.’
In de verte klonken sirenes.
Zijn ogen waren groot, bloed stroomde uit een wond.
‘Het was … was … is nog niet, nog niet klaar. Jij, ze … ze, ze is … vertel haar …’
‘Ssst.’

Mijn maag trok samen, mijn romp maakte peristaltische bewegingen die ik niet kon controleren. Iets sloot mijn keel af, mijn kaken openden zich.
Roodkapje klom naar buiten. Haar ogen vlamden, uit mijn strot trok ze een Jawa Ionization Blaster.

Onbebouwde kom

Maak het schraal bestaan
zichtbaar in mijn denken
geef me een idee
al is het maar een kleintje

Breng me een bouquet van groei
wakker mijn verlangen
beroer me met emotie
al is het maar een kleintje

Toon me het begrijpen
een schilfer van dat licht
vul mijn holle zijn met ziel
al is het maar een kleintje

Vertel me over samen
over ons wij alles iedereen
bezorg me een woord
al is het maar een kleintje.

Anton

Een enorm lijf in trainingspak stapt uit de BMW. De wijsvinger van zijn linkerhand tikt tegen zijn kale hoofd.
‘Ken jij niet sturen? Jij hoort niet op de weg, muts! Mot ik jou effe laten zien waar je gaspedaal zit?!’ Spuug vliegt alle kanten op.
‘Hoe heet jij?’ vraag ik.
‘Dat gaat je niks aan! Ik ben Anton!’
‘Kom eens hier, Anton.’ Ik blaas in zijn neus. We hebben oogcontact, hij kwijlt wat minder. ‘Kom maar even op schoot.’
Anton past nauwelijks in mijn Fiatje. Ik schuif de stoel wat naar achteren en aai hem over zijn bol. Anton steekt een duim in zijn mond.
‘Zo beter?’
‘Mnja … ’
‘Ga nou maar, en niet meer zo boos doen, hè.’
‘Mnja.’