Drop-out

Hem viel de zware taak om bij deze ontslagronde het personeel toe te spreken. Honderdveertien arbeiders waren verzameld in de kantine. Het zweet stond in zijn handen. Hij tikte tegen de microfoon en kuchte. De gesprekken verstomden, een oude tl-buis zoemde.
Als vanzelf kwamen de woorden.
‘Lul, penis, vagina. Overmorgen hopjesvla. Niet van oma maar van ma. Papa dasht de sokkenla.’

Hij sloeg gefrustreerd met zijn vuist op de katheder. Ergens ging iets fout. Maar wat? Zware schoenen schuifelden, iemand boerde. De tl-buis gaf het op.

‘Zandbak, kusjes, ovenfriet. Ik heb werk, jij lekker niet.’

Advertenties

Prinsheerlijk

prinsheerlijk
foto: Facebook, Interest, Pinterest, LinkedIn, e.v.a.

‘Mevrouw Meijer, uw Eppe baart ons veel zorgen. Wij zien tekenen van een Conduct Disorder. Hoe gaat het thuis? Wat deed u ook alweer voor de kost? Laat ook maar, die tatoeages zeggen genoeg. Nee, u mag hier niet roken.
We hebben Veilig Thuis moeten inschakelen. Zo kan het niet langer. Andere kinderen spelen in de pauze rustig op hun iPad, maar Eppe … Neemt u hem maar mee naar huis. Hij is voorlopig geschorst.’

‘Eppe, godsammeliefhebbe, vuile homo! Ik zei dat Lupke een vervelende pad is, géén kikker. Als je die kust wordt het – echt – geen – prins.’

Zoet

Het gaat stroef en hij spartelt, maar het lukt om het botte mes rondjes te laten draaien in zijn dijbeen. De plek die ik uitkoos is ontstoken van de keer dat ik er met een spijker ‘sukkel’ kerfde. Ik kerfde, hij kermde. Hetzelfde geluid dat hij maakte toen zijn zaadcellen zich via mijn baarmoeder door mijn eileiders spoedden en een daarvan een desastreuse symbiose aanging met een eicel.
Zijn stem streelt alweer mijn oren en ego. Mijn tepels zwellen. Ik trek het mes uit de zweren, kus zijn lippen en scheur met mijn tanden zijn ijzerzoete tong.

De thuisreis

Bam! Plat op mijn bek. Ik ben binnen. Ik wist dat de drempel te hoog was, en toch weigerde iets in mij mijn voet op te tillen. Niet ik nam de drempel, de drempel nam mij. Ik haal mijn hoofd uit de opengevallen koffer op de grond en beschouw mijn comfortabele bed, waarin ik nooit echt serieus genomen ben. Ik draai mijn hoofd even om en dank de drempel voor deze verheffende ervaring. Het voelt als thuis komen. Een gevoel dat er lang niet is geweest.

Nu ik er eenmaal ben krabbel ik op. De koffer leg ik op mijn bed. Voor ik binnenviel heeft iemand het bed verschoond. Wie? Het ruikt naar de bedwelmend zoete Italiaanse Jasmijn in mijn tuin. Het raam is opengezet, een zomerbriesje wiegt de vitrage.
De afgelopen nacht heb ik slecht geslapen. De zolder kraakte, de trap kreunde, mijn lichaam zweette, het topmatras weerkaatste mijn hitte. Het huis, of een daarin aanwezige entiteit die zich niet wezenlijk aan mij kenbaar durft te maken, lijdt een eigen leven naast dat van mij. We tolereren elkaar, maar gezellig is het niet.
‘Als je wat te zeuren hebt, zeg het dan. Al dat vage gestamp en geklop, daar heeft niemand wat aan, lafbek met pleinvrees,’ zeg ik wel eens tegen mijn huis. Het geeft nooit antwoord. ’t Is als bidden. Vandaag heet iets mij woordeloos welkom in mijn slaapkamer. Om dieper in contact te komen met godweetwat ga ik in lotushouding op mijn boxspring zitten. Maar niet voordat ik mijn Hawaiiaanse rokje uit de koffer heb aangetrokken en mijn tanden gepoetst met een wegwerptandenborstel. Ik haal diep adem, hoest wat nicotine op, snuit mijn neus, besluit wat mondwater onder mijn oksels te smeren en adem weer uit. Mijn blik is nu gericht op de levensboom aan de muur.

Ik sluit mijn ogen. Dan hoor ik weer dat kloppen, steeds harder en harder. Brokken beton vallen naast me, een zwaar stuk raakt mijn knie. Op het plafond vormt zich met veel lawaai een enorme vulkaan. Ik haal een klimtouw uit mijn koffertje, trek mijn bergschoenen aan en klim tegen de muur op naar de berg. Het is een pittige, louterende wandeling van ettelijke uren naar de top. Hoe hoger ik kom, des te heter het wordt. Het deert me niet. Ik moet verder. Bovengekomen vult zwavel mijn longen, de vulkaan staat op springen. Ik kan de gloeiende lava zien.
‘Aint no mountain high enough …’ klinkt het vanuit de nevels onder mij.
De lava fluistert lieve woorden, bubbelt uitnodigend. Ik wil er naartoe, naar die warmte, die prachtige kleuren. Ik koppel mijn klimtouw los en hel voorover.
‘The floor is lava!’ roept mijn puberzoon vanuit de deurpost. De vulkaan verdwijnt, ik kletter op het bed, mijn hoofd in mijn koffertje.

Het zingen verleerd

Een merel zingt
op een scheiding van beton
was ik maar die vogel, kende ik zijn lied
niet wat mensen zeggen, weten wat ze zijn

Een fluitend bestaan, onbewust van de duur
vliegen van boom naar boom
soms naar een muur

Een leven lang luisteren naar elke zeur
nagels lakken benen scheren
plannen maken weerstand keren

liever een vogel, al duurt het een uur.

Fijn weekend

‘Getverdemme!’ Brammetje smijt zijn marshmellow op de barbecue. Hij grijpt naar de Nutella en gooit de pot stuk. Kwaadaardig houdt hij zijn adem in, zijn wangen zijn bol en zijn gezicht wordt rood. Een penetrante geur domineert de zwoele avondlucht.
Papa’s ogen tranen, snot druipt uit zijn neus. Op de grond liggen vette papieren bordjes, plastic bestek en drinkbekers. Net voor Brammetje de barbecue een schop geeft grijpt hij hem en snoert hem vast in zijn buggy. Trillend pakt hij zijn mobieltje.
‘Schatje,’

‘Sorry, ik zal je niet meer zo noemen. Wil je alsjeblieft Brammetje nu op komen halen?’

Dag

Mijn zoon, jij was daar niet
toen ik afstand nam
van alles, van leven
van pijn, mij als man

Je was jong je speelde
je lachte je dacht
aan cola bij mama
aan mij elke nacht

Waarom toch die afstand
jij daar en ik niet
Waarom toch niet anders
geen benul van verdriet

Ik kon het niet dragen
jouw afwezig zijn
je zus en je mama,
dag lieverd, blijf klein.