Purk & Plurk

Plurk zit verveeld uit het raam te kijken. Zijn zus Purk is bezig met ingewikkelde berekeningen.

Om van de Orionarm naar de Sygnusarm te vliegen zouden ze in totaal 100.000 lichtjaren onderweg zijn. Er zitten er nu 18.000 op. Purk heeft een fout gemaakt; de invloed van de galactische zuigkracht veroorzaakt door de oerknal heeft ze niet ingecalculeerd waardoor ze nu van de geplande route afdrijven.

‘Purk, zullen we dat potje schaak waar we vorige week mee begonnen afmaken? Ik verveel me.’
‘Daar heb ik nu geen tijd voor, of wil je er soms 200.000 lichtjaren over doen om bij de Sygnusarm te komen? Zeur toch niet zo. Ga liever iets nuttigs doen.’
‘Ik kan niks.’
‘Doe dan niks.’

Plurk zucht en kijkt door zijn intertelescopische overdrivebril omlaag. Hij zoomt in op een flatgebouw op een planeet onder hem waar wezenloze wezentjes existeren. Een gezin kijkt naar een beeldscherm. In het appartement boven hen plakt een man met duct tape een vrouw aan het plafond. Als hij daarmee klaar is gaat hij weg om sigaretten te halen. De vrouw sluit haar ogen. Het duct tape laat langzaam los en de vrouw valt plat op de vloer.
Het gezin onder hen vliegt van schrik van de bank waar ze op zitten. De twee kinderen huilen. De vader stelt ze gerust door een grapje te maken. ‘Ach, er laat vast iemand een purrekie uit z’n neus vallen hahaha.’

Plurk doet hem na. ‘Ha … ha … hahaha. Haha. Hahaha!’ Elke keer dat hij hahaha zegt treedt zijn depressie meer en meer naar de achtergrond. Hij voelt zich zelfs een beetje blij. Zijn mond blijft nu in een bijna permante glimlachstand staan. Hij kijkt naar Purk. Ze mompelt binnensmonds, loopt heen en weer, schrijft iets op een vel papier om het daarna resoluut weer door te strepen en nog meer te mompelen. Zweet staat op haar voorhoofd en ze stinkt.
‘Purrekie,’ fluistert Plurk. ‘Purrekie Purrekie Purrekie.’
Hij duikt op Purk af. Gepassioneerd schopt hij haar het ruimteschip uit.

Een gezin kijkt naar een beeldscherm. Een meteoriet slaat in op vier kilometer afstand van het flatgebouw. Twee kinderen huilen. De vader stelt ze gerust door een grapje te maken.

Advertenties

Kleine Henkie zingt een liedje

Gerda, poedelnaakt, staat in de slaapkamer. Haar haar is sluik en vet, de weegschaal heeft haar net met twaalf kilo verloochend, haar eczeem speelt vandaag extreem op. Kleine Henkie blèrt in de aangrenzende kamer non-stop ‘zie ginds komt de droomboot uit Spanje weer aan’.

Gerda haalt diep adem. Ze concentreert zich op de muur voor haar. Doodstil staart ze ernaar. Een gat verschijnt in de muur, het droge beton sijpelt op de vloer en vormt daar een hoopje. Gerda blijft kijken en het gat wordt groter. Gelijk een kat die vanuit het niets haar prooi bespringt duikt ze naar voren, steekt haar arm door het gat en grijpt Henkie bij zijn strot. “Stoomboot! Het is stoomboot! Zing nu eens gewóón stoomboot godsammelazerus! Es, tee, o, o, em, bee, o, o, deee! Is dat nou zo moeilijk?” Haar ogen schieten vuur, speeksel loopt langs haar kin.

Henkie zit klem met zijn hoofd in het gat en begint hartstochtelijk te krijsen. Gerda slaakt een zucht. Eindelijk is het gestopt. Opgelucht trekt ze haar roze badjas en bijpassende Crocs aan en lapt de ramen.

© Stella Matula 2017

De Tandarts

‘Zeg het eens, wat is er aan de hand?’
Ziet hij echt niet wat er aan de hand is?
‘Ik heb een dikke bakkes.’
‘Ja, dat zie ik.’
Om het contact tussen hem en mij naar hogere regionen te tillen vertel ik hem iets persoonlijks. Ik vertel hem dat ik bijna nooit bang ben voor de tandarts, maar dat ik het in deze situatie best eng vind.

De tandarts geeft me een spuitje. Sterretjes dwarrelen om mijn hoofd. ‘Ah, dat was lekker.’ Terwijl de verdoving inwerkt brabbel ik nog wat vage woordcombinaties.

Hij pakt zijn mes. Ik roep dat ik nog steeds pijn heb maar hij gaat onverbiddelijk aan de slag. Terwijl hij het gereedschap hanteert beveelt hij me te ontspannen. Ik sluit mijn ogen want wil niets te maken hebben met wat de tandarts en zijn assistente aan het doen zijn.

De assistente doet haar uniform uit. Eronder draagt ze een outfit als Olivia Newton John in Grease en ze doet een gangnamstyle dansje. De tandarts wil meedoen maar hij struikelt over zijn afgezakte mondkapje. Zijn neus bloedt. Stoer staat hij weer op, tilt me omhoog en geeft me een dikke zoen op mijn dikke wang.

© Stella Matula

Puppie, mummie en Poepie

Ik dobberde wat rond in mijn gerieflijke wereldje. Soms hoorde ik vaag ‘koetsjekutsjiekoe, mmmlblblliefffff.’
Plotseling kreeg ik een gootsteenontstopper op mijn hoofd gezet en werd weggezogen. Ik spartelde en schreeuwde, voelde hoe vocht mijn longen vulde. Licht bezorgde me een migraine-aanval.

Toen zag ik haar. Ze lachte gewoon! Boos keek ik terug. Even later werd ik in de armen gelegd van een man die ook al lachte. Iedereen in de kamer lachte. Ze noemden me ‘Poepie’, terwijl ik gewoon Amenhotep heet. Dat is al 34 eeuwen zo.

‘Mama, ma-ma’, zeg eens mama dan? Ik schudde mijn hoofd. ‘Zeg maar papa, ja! Papa!’ Uiteindelijk gaf ik toe. Maar ik zal nooit preciés doen wat ze van me vragen.
Nu heb ik een afspraak bij de logopedist.

 

© Stella Matula 2017

De wens

‘Ik wens dat er nooit meer iemand doodgaat’ zegt Miss Universe tegen de geest uit de stoffige fles die ze heeft gevonden tussen de rommel van haar pas overleden excentrieke zus.
‘Dat kan, maar daar staat wel iets tegenover.’
‘Wat dan?’
‘Dat er nooit meer iemand geboren wordt. Anders wordt het nogal een drukke bedoening hè.’
In een reflex legt ze een hand op haar licht bollende buikje.
‘Doe dan maar koffie.’

© Stella Matula 2017

H. H. H.

Gisteravond is het nogal laat geworden. Hoe ik hier gekomen ben staat me niet meer bij. Meestal lig ik in zo’n situatie naast een vrouw van twijfelachtige komaf met acne of veel meer rimpels dan de avond ervoor. Deze keer is het anders. Ik weet zeker dat ik wakker ben maar het blijft aardedonker als ik mijn ogen open. In plaats van de gangbare kattenbakgeur ruik ik vochtige modder en een vleugje rubber. Mijn kleren heb ik aan, alleen mijn jeans moet ik omhoogtrekken. Mijn hoofd doet pijn, mijn mond is droog.
In de verte hoor ik schreeuwen. Of het een vrouw of een man is weet ik niet. Het kan evengoed een genderneutrale zijn.

Ik tast naast de kist waar ik op lig en voel iets slaps en glads. Het lijkt een beetje vloeistof te bevatten.
Voorzichtig kruip ik op de vloer naar voren tot ik tegen een muur aan stoot. Ik hoor nog steeds geschreeuw en nu ook gelach en gekreun van meerdere kanten komen.
Ik tast de muur af en duw ertegen tot ik een deur raak die openzwaait. Achter de deur is een trap. Mijn lichaam beeft, ik voel me slap maar strompel omlaag tot ik op een houten vloertje kom. Ik kan geen kant op, ik zit vast in een benauwde ruimte met niets dan drie grijze glibberige muren en de trap om me heen. De vloer waar ik op sta kraakt, klapt open en ik val meters omlaag in water dat ruikt naar oma’s vissenkom. Zodra ik boven kom zwem ik gejaagd naar de oever aan de overkant.

Uitgeput klim ik erop en pas dan durf ik achterom te kijken. Boven de ingang van de verwaarloosde burcht waar ik uit gevlucht ben valt in felgekleurde knipperende neonletters te lezen ‘Hanzels Horrible Hookerhaus.’

© Stella Matula 2017

Een sprookje

Tijdens de schemering kwamen ze altijd even bij elkaar om te kletsen voor ze hun nestjes opzochten. En zoals altijd nam de postduif het woord.
‘Ik droom ervan om een boek te schrijven,’ zei hij. ‘Ik weet alleen niet goed hoe te beginnen.’
De vink en de uil rolden met hun ogen, daar had je hém weer.

De vink ging geïrriteerd verzitten en stootte haar kop tegen de brieventas die de duif aan een tak had gehangen. ‘Tering!’ riep ze. Het heerste onder haar soortgenoten.
“Moet dat nou? We weten nu wel dat je ziek bent. Het hoeft echt niet altijd over jou te gaan.’
‘Je weet toch dat ik bijna niets meer zie. Kun je die tas niet thuislaten?’

De uil draaide zijn kop. In de tas van de duif zag hij vooral brieven van incassobureaus en de belastingdienst. Hij checkte zijn bankrekening.
‘Ik help je wel,’ zei hij. ‘In brievenpost is geen greintje romantiek meer te ontdekken.
Schrijf op: Er wás eens.’
Gefocust ging de duif aan het werk. De vink en de uil grepen hun kans, beukten de duif in zijn brieventas en staken de tas in de fik. Ze leefden nog lang en gelukkig.

© Stella Matula 2017