Lief dagboek,

(een fragment uit 2039)

Vanmorgen kwam N. op de koffie. Nou ja koffie, het is ook niet meer wat het geweest is. N. kwam dus op de cichorei. Vroeger kwam N. nog wel eens op mij, maar ook dat zit er niet meer in. Iets met zijn prostaat. Hij kan er uren over bomen. Ik zet dan al snel mijn gehoorapparaat uit want, hé, hij doet het niet meer, wat moet ik nog meer weten? Ik probeerde N. nog mee te lokken de tuin in, zodat we wat te doen hadden en zijn ‘probleem’ niet het enige gespreksonderwerp van de dag zou zijn. Maar zijn rug en zijn hart en ach en wee. Ik deed stiekem wat wodka door zijn cichorei. Hij spuugde het meteen uit op mijn antieke originele Ikea-tapijt. De viespeuk. Ik wilde de boel alleen maar een beetje opvrolijken. Hij riep dat ik hem wilde vergiftigen en dat ik nooit zou veranderen en dat hij me zou aanklagen. Plotseling was hij wel mobiel. Weg was ‘ie. Nou ja, niks aan verloren.
Vanmiddag heb ik de verpleging geholpen met het wassen van de bedlegerigen. Ik moest wel, vorige week kreeg ik ook al geen toetjes. Om vier uur was ik helemaal kapot en deed een dutje in de hal. Ik werd wakker gemaakt door R. toen iedereen al aan de cichorei zat, het avondeten had ik gemist.
Vanavond woog ik 49 kilo.
B. en M. weer niet gebeld vandaag.

Advertenties

De date

Zijn hoofd bonkte, bloed kleurde zijn Armani. Hoe had hij zo dom kunnen zijn? Hij sloeg tegen zijn voorhoofd.
‘Au! Verdulleme!’
Had hij maar naar Roderick geluisterd, was hij maar met zijn Porsche gegaan en had zo’n straatjochie een paar eurootjes toegestopt om erop te passen. Maar nee, hij moest zo nodig indruk maken. Hij moest op zijn Trek Yoshitomo Nara naar ‘De Hipster.’
‘Sla hier linksaf’, had het navigatiesysteem geklonken. Het stuur trilde, het navigatiesysteem schoof er langzaam vanaf. Hij bukte en reikte ernaar. Het voorwiel van de fiets botste tegen de stoeprand. Boudewijns klokkenspel stootte tegen het puntige zadel. Aargh! Mon Dieu, dat wordt niks vanavond, dacht hij nog. Het achterwiel van de fiets lichtte op, Boudewijn stortte zijdelings tegen een brandkraan aan. Liggend op de stoep spuugde de fiets een veer in Boudewijns oog. Boudewijn hees zich omhoog, trok zijn ene ongeschonden voet naar achteren om hem met de laatste krachten die hij bezat tegen het frame aan te schoppen. De fiets nam wraak door schuin omhoog te vliegen, tegen Boudewijns scheenbeen aan. Hij gaf het op en hinkte verder naar ‘De Hipster.’ De fiets bleef achter, in de goot.

Met zijn pochet stelpte Boudewijn onderweg het ergste bloeden. Terug naar huis gaan was geen optie. Ilse, dacht hij, Ilseeee … haar naam in zijn hoofd stuurde verende kussentjes naar zijn voeten. Zijn mondhoeken schoten omhoog. Daar was ‘De Hipster’, daar was Ilse.
Boudewijn struikelde het opstapje op, greep de deurknop en knalde met een schouder tegen de glazen toegangsdeur. Die zwaaide harder dan de bedoeling was open. Boudewijn viel naar binnen. De kussentjes waren verdwenen. Hij krabbelde omhoog en bewoog zijn hoofd van links naar rechts. Ilse was er nog niet. Boudewijn strompelde naar de bar.
‘Garçon, hé! Hallo? Hé, Lullo! Geef mij eens een espresso doppio, en doe er maar een Courvoirsiertje bij, dat kan ik wel gebruiken.’
‘Hier, gast.’ De barman zette een flesje glutenvrij bier op de bar en legde er een theedoek naast.
Boudewijn pakte het flesje en bleef er even met zijn neus boven hangen, zoog de geur van het brouwsel op. Hij nam een slok, zijn mond trok strak omlaag en zijn neus omhoog, hij kneep zijn ogen samen. Hij schoof het bier van zich af. Hoe laat was het? Hij checkte zijn iPhone, alles wat hij zag op het scherm waren barsten op een zwart vlak.

Acht flessen glutenvrij bier later dacht hij even, in een flits, dat hij Ilse zag vanuit zijn ooghoek, bij de deur. Verdrietig vlijde hij zijn hoofd weer op de theedoek. ‘Ach schatje toch, och lieverd, we hadden het zo fijn samen’ mompelde hij tegen zijn iPhone.

Stinkende Zaken

Langzaam werd de geur van dennennaalden verdrongen door een geur die ik nooit meer zou vergeten en nog dagenlang op mijn huig zou blijven liggen. Ik verliet het wandelpad en liep een stukje verder het bos in. Plotseling zag ik Langnek met zijn hoofd onder zijn arm achter Sneeuwwitje aanrennen. ‘Takketrut dat je d’r bent!’ riep hij. In zijn buik zat een gat, druppels vleeskleurige massa dropen langs zijn benen. Zo te zien had hij bij Toko Tut de derderangs sushi gegeten. Visgraten vermengden zich met de resten van Langneks smeltende romp.
Sneeuwwitje lachte hysterisch en zwaaide met haar Jawa Ionization Blaster. Langnek minderde vaart, struikelde. Hij schreeuwde en smeet zijn hoofd naar Sneeuwwitje. Het hoofd kwam enkele meters voor haar op de grond terecht en stootte tegen een beukenboom. De takketrut schopte ertegen met haar Timberlands en rende verder.

Mijn maaltijd van die avond kroop mijn slokdarm in. Ik slikte.
Loom en zwaar sloop ik naar het hoofd. De lippen bewogen.
‘Stil maar,’ zei ik. ‘Het komt goed.’
In de verte klonken sirenes.
Zijn ogen waren groot, bloed stroomde uit een wond.
‘Het was … was … is nog niet, nog niet klaar. Jij, ze … ze, ze is … vertel haar …’
‘Ssst.’

Mijn maag trok samen, mijn romp maakte peristaltische bewegingen die ik niet kon controleren. Iets sloot mijn keel af, mijn kaken openden zich.
Roodkapje klom naar buiten. Haar ogen vlamden, uit mijn strot trok ze een Jawa Ionization Blaster.

Anton

Een enorm lijf in trainingspak stapt uit de BMW. De wijsvinger van zijn linkerhand tikt tegen zijn kale hoofd.
‘Ken jij niet sturen? Jij hoort niet op de weg, muts! Mot ik jou effe laten zien waar je gaspedaal zit?!’ Spuug vliegt alle kanten op.
‘Hoe heet jij?’ vraag ik.
‘Dat gaat je niks aan! Ik ben Anton!’
‘Kom eens hier, Anton.’ Ik blaas in zijn neus. We hebben oogcontact, hij kwijlt wat minder. ‘Kom maar even op schoot.’
Anton past nauwelijks in mijn Fiatje. Ik schuif de stoel wat naar achteren en aai hem over zijn bol. Anton steekt een duim in zijn mond.
‘Zo beter?’
‘Mnja … ’
‘Ga nou maar, en niet meer zo boos doen, hè.’
‘Mnja.’

Voornemens

‘En? Ben je aangenomen?’
Kobus trekt een blikje energydrank open en legt zijn voeten op tafel.
‘Voeten van tafel. Hoe vaak moet ik dat nog zeggen. Er blijft ook niets hangen bij jou. Over hangen gesproken, jouw houding kan wel wat actiever. Zo kom je er niet jongen.’
Kobus plaatst zijn onderbenen naast de bank en kijkt zijn vader van boven zijn blikje aan. ‘Toevallig beheer ik binnenkort verschillende projecten, variërend van greenfield-projecten tot uitbreidingen van bestaande investeerders. Als innovatieve scale-up ligt mijn toekomst voor het grijpen.’
‘Nee, dat meen je niet. Dat ik uit jouw mond ooit nog het woord “toekomst” zou horen. Wat ga je precies doen?’
‘Ik lever een bijdrage aan het generieke acquisitiebeleid en vertaal dit naar mijn eigen plannen om zo de doelstellingen te behalen.’
‘Dat zegt me allemaal niets.’
‘Daar slaat u de spijker op de kop’, zegt Kobus. Hij schuurt met zijn rug tegen de leuning van de bank.
Vader neemt een slok van zijn koffie.
‘In jaren zestig-taal, vader, ga ik de verkoop in.’
‘Jaja, wat verkoop je dan, jongen?’
‘Niets.’
‘Ik wist het wel! Je zit hier nu al jaren niets te doen, en het gaat maar door.’ Het schoteltje breekt als vader zijn kopje terugzet.
‘Precies, en ik wil de wereld laten weten dat niets waarde heeft. Niets heeft nut. Niets, en niemand is zich ervan bewust. Ik maak het tastbaar.’
‘Ik wil hier niets meer over horen!’
‘Dat kan, dat is dan negenennegentig euro, en bij afname van drie stuks krijgt u zes procent korting.’

Wijzen Uit Het Oosten 3.0

‘Rabi, gooi die joint weg. In de auto wordt niet gerookt.’
‘Shit man, hoe kom ik anders de tijd door? ’t Is een fucking lange reis, gast.’
‘Houd je hoofd helder en je tempel gezond, Rabi. Als je die troep nu niet vaarwelzegt zal het voor altijd te laat zijn. Je gaat dan sowieso niet mee met ons.’
Gafar zit achter het stuur van de bus. WUHO 3.0 staat in gouden letters op de zijkant.  Achterin staan jerrycans met benzine voor onderweg, en een doos met verschillende soorten wierook.
Rabi haalt zijn tas leeg, met tranen in zijn ogen gooit hij zakjes, tabletten en hennep in de afvalbak naast de speelplaats waar de bus is geparkeerd.
‘En dat flesje, Rabi?’
‘Dat is etherisch, Gafar. Het is mijn geschenk aan die maagd. Een eersteklas volkomen natuurlijk desinfecteermiddel. Echt vet. Gescoord bij een groepje hipsters toen ik van de zomer in Kathmandu was.
Jezus, Kalil, wat ben jij dik geworden, gast.’
Kalil schuift rammelend op om plaats te maken voor Rabi. Gouden kettingen onttrekken zijn djellaba bijna geheel uit het zicht. Hij vouwt zijn handen op zijn buik, die wel vierkant lijkt.
‘Dat is het goede leven, Rabi. Mijn muziekuitgeverij doet het geweldig. De Jerkende Twerkers trekt volle zalen en is de meest gestreamde band van het afgelopen jaar. Ik heb goud in handen zeg ik je, goud.’

Gafar start de bus, de Tomtom is ingesteld op Het Westen.
Onderweg praten Gafar en Kalil over het wonder waar ze naar op weg zijn, de successen van Kalil, Russische investeringsdeals en maagden. Rabi kijkt lodderig voor zich uit, produceert af en toe een ondefinieerbaar geluid, zweet, slaapt. Ze leggen hem achterin. Hij rolt zich op in zijn djellaba en kauwt op zijn baard.
De reis is lang, Kalil en Gafar wisselen elkaar af aan het stuur.
‘Ik vind het een ongeloofwaardig verhaal, dat van die maagd’, zegt Kalil. Als het weer niet waar blijkt te zijn dan …’
‘Jij bent altijd zo achterdochtig. Heb vertrouwen, Kalil. De kans is groot dat er een hemel op aarde bestaat, je leest het deze dagen overal op internet. Straks hebben we er een, nog eenenzeventig te gaan.’
Bij parking De Reerug houden ze een sanitaire stop. Ze duwen Rabi met zijn hoofd onder de koude kraan en hij krijgt pepermunt.

‘Bestemming bereikt’ vertelt de TomTom voor een loods op het industrieterrein van Klein Koterbroek. Er is sneeuw gevallen, de bus staat voor een rolluik dat als vanzelf opent. De wind zingt, een verblindend helder licht schijnt naar buiten.
Jozef en Maria zitten onderuitgezakt naar All You Need is Love te kijken als Kalil de bus naar binnen rijdt. In een hoek van de loods huilt een hongerige pasgeborene.
‘Jezus, wat een lucht hangt hier, gast. Gafar, die wierook komt goed van pas.’ Rabi zet zijn zonnebril op. ‘Mèn, wat is er aan de hand met dat licht?’
‘Ledlampen hè,’ zeg Jozef, ‘het moet zo goedkoop mogelijk allemaal. Gezellig is het niet, dat geef ik toe. Hoe was de reis?’
‘Laat die beleefdheden maar achterwege, Jozef.’ zegt Kalil. Zijn ogen vernauwen zich als hij ziet dat Maria verschrikt haar rok omlaag strijkt. Bij de aanblik van de blaasjes rond haar mond worden zijn ogen spleetjes.
‘Hebben jullie toevallig mirre bij je? We vergaan van de jeuk. Een aanvullende ziektekostenverzekering konden we niet betalen dit jaar, misschien volgend jaar, maar daar hebben we nu niets aan.’
‘Hey mattie,’ begint Rabi, ‘toevallig was ik afgelopen zomer chillen in Kathmandu en …’
‘Ik kijk wel even achterin de bus.’ Onderbreekt Kalil hem. Hij duwt Gafar, die net met de wierook uit de bus komt, opzij en klimt naar binnen. Er is nog meer dan genoeg benzine voor de terugweg.
Onder zijn djellaba zoekt hij de rode knop van zijn bomgordel.

Houten harten

tafelDe eettafel, gemaakt van duurzaam stamhout uit de streek, is gisteren gebracht. Jeanette is er trots op; er is vakkundig handwerk geleverd door de meubelmaker in het dorp en genoeg plaats voor de zeventien mensen waar ze voor gekookt heeft.
Ze doet haar schort af en trekt haar Noorse trui uit. Eronder draagt ze een zwarte zijden top. Onder de oksels zijn donkere zweetplekken te zien.
‘We kunnen aan tafel!’ roept ze richting de luidruchtige familie in de woonkamer.
‘Opa zit te slapen mam’ roept Rikkie terug.
‘Dat boeit me niet. Het is nu klaar en we gaan nu eten. Rijd hem maar in zijn rolstoel naar de tafel.’
‘Maar hij kwijlt, ieuw.’
‘Doe hem een slabbetje om.’

Jeanette serveert haar zelfgemaakte bisque d’hommard uit. De kommen dampen.
‘Ik zet de tuindeuren even open’ zegt ze. Haar ogen smoren elk weerwoord in de kiem. Een druppel valt van haar neus in de soep als ze plaatsneemt. Met haar IPhone stuurt ze stemmige kerstmuziek de ruimte in. ‘Oh Danny boy’ speelt zacht op de achtergrond. Barry, de reeds benevelde neef, ziet de tafel sidderen. Hij zegt niets, zijn vrouw zeurt al zo vaak over zijn drinkgewoontes.
De tafel golft nu. De hele familie valt stil, iedereen ziet het. Wedgewood glijdt weg, gloeiendhete soep stroomt in schoten. Barry redt drie wegschuivende glazen wijn. Een hoek van de tafel krult omhoog, een poot strekt naar voren.
‘Maaaam!’ roepzeurt Rikkie. De poot schuift hem opzij.
Aan de andere kant van de tafel trapt een tafelpoot opa hard naar achteren. Zijn ogen springen wijd open. Zijn achterhoofd knalt tegen de muur, kerstrood bloed spat tegen het sneeuwwitte granol. Tegelijkertijd schiet zijn gebit uit zijn opengevallen mond de kroonluchter in. Opa’s ogen sluiten weer.
‘Opa!’
‘Vader!’
‘Bel 112!’

De tafel schudt zich uit en draaft de tuin door naar het woud. Een paarhonderd meter het bos in blijft ze staan voor een indrukwekkende zilverspar. Haar nerven vormen een glimlach. Dan richt ze zich op.
‘Danny, lieverd, ik heb je zo gemist.’ Haar poten ronden zich om zijn robuuste stam, ze schuurt tegen zijn bast omhoog. Danny vouwt zijn naaldtakken om haar heen.
‘Hoe is het met ons kindeke?’
Danny wijst naar een frisgroen dennenboompje dat schuin achter hem staat, beschut onder zijn brede takken. Een glinsterende ijspegel ploft in het mos. Een ster knipoogt, de eerste sneeuwvlokken vallen.