De thuisreis

Bam! Plat op mijn bek. Ik ben binnen. Ik wist dat de drempel te hoog was, en toch weigerde iets in mij mijn voet op te tillen. Niet ik nam de drempel, de drempel nam mij. Ik haal mijn hoofd uit de opengevallen koffer op de grond en beschouw mijn comfortabele bed, waarin ik nooit echt serieus genomen ben. Ik draai mijn hoofd even om en dank de drempel voor deze verheffende ervaring. Het voelt als thuis komen. Een gevoel dat er lang niet is geweest.

Nu ik er eenmaal ben krabbel ik op. De koffer leg ik op mijn bed. Voor ik binnenviel heeft iemand het bed verschoond. Wie? Het ruikt naar de bedwelmend zoete Italiaanse Jasmijn in mijn tuin. Het raam is opengezet, een zomerbriesje wiegt de vitrage.
De afgelopen nacht heb ik slecht geslapen. De zolder kraakte, de trap kreunde, mijn lichaam zweette, het topmatras weerkaatste mijn hitte. Het huis, of een daarin aanwezige entiteit die zich niet wezenlijk aan mij kenbaar durft te maken, lijdt een eigen leven naast dat van mij. We tolereren elkaar, maar gezellig is het niet.
‘Als je wat te zeuren hebt, zeg het dan. Al dat vage gestamp en geklop, daar heeft niemand wat aan, lafbek met pleinvrees,’ zeg ik wel eens tegen mijn huis. Het geeft nooit antwoord. ’t Is als bidden. Vandaag heet iets mij woordeloos welkom in mijn slaapkamer. Om dieper in contact te komen met godweetwat ga ik in lotushouding op mijn boxspring zitten. Maar niet voordat ik mijn Hawaiiaanse rokje uit de koffer heb aangetrokken en mijn tanden gepoetst met een wegwerptandenborstel. Ik haal diep adem, hoest wat nicotine op, snuit mijn neus, besluit wat mondwater onder mijn oksels te smeren en adem weer uit. Mijn blik is nu gericht op de levensboom aan de muur.

Ik sluit mijn ogen. Dan hoor ik weer dat kloppen, steeds harder en harder. Brokken beton vallen naast me, een zwaar stuk raakt mijn knie. Op het plafond vormt zich met veel lawaai een enorme vulkaan. Ik haal een klimtouw uit mijn koffertje, trek mijn bergschoenen aan en klim tegen de muur op naar de berg. Het is een pittige, louterende wandeling van ettelijke uren naar de top. Hoe hoger ik kom, des te heter het wordt. Het deert me niet. Ik moet verder. Bovengekomen vult zwavel mijn longen, de vulkaan staat op springen. Ik kan de gloeiende lava zien.
‘Aint no mountain high enough …’ klinkt het vanuit de nevels onder mij.
De lava fluistert lieve woorden, bubbelt uitnodigend. Ik wil er naartoe, naar die warmte, die prachtige kleuren. Ik koppel mijn klimtouw los en hel voorover.
‘The floor is lava!’ roept mijn puberzoon vanuit de deurpost. De vulkaan verdwijnt, ik kletter op het bed, mijn hoofd in mijn koffertje.

Advertenties

Lief dagboek,

(een fragment uit 2039)

Vanmorgen kwam N. op de koffie. Nou ja koffie, het is ook niet meer wat het geweest is. N. kwam dus op de cichorei. Vroeger kwam N. nog wel eens op mij, maar ook dat zit er niet meer in. Iets met zijn prostaat. Hij kan er uren over bomen. Ik zet dan al snel mijn gehoorapparaat uit want, hé, hij doet het niet meer, wat moet ik nog meer weten? Ik probeerde N. nog mee te lokken de tuin in, zodat we wat te doen hadden en zijn ‘probleem’ niet het enige gespreksonderwerp van de dag zou zijn. Maar zijn rug en zijn hart en ach en wee. Ik deed stiekem wat wodka door zijn cichorei. Hij spuugde het meteen uit op mijn antieke originele Ikea-tapijt. De viespeuk. Ik wilde de boel alleen maar een beetje opvrolijken. Hij riep dat ik hem wilde vergiftigen en dat ik nooit zou veranderen en dat hij me zou aanklagen. Plotseling was hij wel mobiel. Weg was ‘ie. Nou ja, niks aan verloren.
Vanmiddag heb ik de verpleging geholpen met het wassen van de bedlegerigen. Ik moest wel, vorige week kreeg ik ook al geen toetjes. Om vier uur was ik helemaal kapot en deed een dutje in de hal. Ik werd wakker gemaakt door R. toen iedereen al aan de cichorei zat, het avondeten had ik gemist.
Vanavond woog ik 49 kilo.
B. en M. weer niet gebeld vandaag.

De date

Zijn hoofd bonkte, bloed kleurde zijn Armani. Hoe had hij zo dom kunnen zijn? Hij sloeg tegen zijn voorhoofd.
‘Au! Verdulleme!’
Had hij maar naar Roderick geluisterd, was hij maar met zijn Porsche gegaan en had zo’n straatjochie een paar eurootjes toegestopt om erop te passen. Maar nee, hij moest zo nodig indruk maken. Hij moest op zijn Trek Yoshitomo Nara naar ‘De Hipster.’
‘Sla hier linksaf’, had het navigatiesysteem geklonken. Het stuur trilde, het navigatiesysteem schoof er langzaam vanaf. Hij bukte en reikte ernaar. Het voorwiel van de fiets botste tegen de stoeprand. Boudewijns klokkenspel stootte tegen het puntige zadel. Aargh! Mon Dieu, dat wordt niks vanavond, dacht hij nog. Het achterwiel van de fiets lichtte op, Boudewijn stortte zijdelings tegen een brandkraan aan. Liggend op de stoep spuugde de fiets een veer in Boudewijns oog. Boudewijn hees zich omhoog, trok zijn ene ongeschonden voet naar achteren om hem met de laatste krachten die hij bezat tegen het frame aan te schoppen. De fiets nam wraak door schuin omhoog te vliegen, tegen Boudewijns scheenbeen aan. Hij gaf het op en hinkte verder naar ‘De Hipster.’ De fiets bleef achter, in de goot.

Met zijn pochet stelpte Boudewijn onderweg het ergste bloeden. Terug naar huis gaan was geen optie. Ilse, dacht hij, Ilseeee … haar naam in zijn hoofd stuurde verende kussentjes naar zijn voeten. Zijn mondhoeken schoten omhoog. Daar was ‘De Hipster’, daar was Ilse.
Boudewijn struikelde het opstapje op, greep de deurknop en knalde met een schouder tegen de glazen toegangsdeur. Die zwaaide harder dan de bedoeling was open. Boudewijn viel naar binnen. De kussentjes waren verdwenen. Hij krabbelde omhoog en bewoog zijn hoofd van links naar rechts. Ilse was er nog niet. Boudewijn strompelde naar de bar.
‘Garçon, hé! Hallo? Hé, Lullo! Geef mij eens een espresso doppio, en doe er maar een Courvoirsiertje bij, dat kan ik wel gebruiken.’
‘Hier, gast.’ De barman zette een flesje glutenvrij bier op de bar en legde er een theedoek naast.
Boudewijn pakte het flesje en bleef er even met zijn neus boven hangen, zoog de geur van het brouwsel op. Hij nam een slok, zijn mond trok strak omlaag en zijn neus omhoog, hij kneep zijn ogen samen. Hij schoof het bier van zich af. Hoe laat was het? Hij checkte zijn iPhone, alles wat hij zag op het scherm waren barsten op een zwart vlak.

Acht flessen glutenvrij bier later dacht hij even, in een flits, dat hij Ilse zag vanuit zijn ooghoek, bij de deur. Verdrietig vlijde hij zijn hoofd weer op de theedoek. ‘Ach schatje toch, och lieverd, we hadden het zo fijn samen’ mompelde hij tegen zijn iPhone.

Stinkende Zaken

Langzaam werd de geur van dennennaalden verdrongen door een geur die ik nooit meer zou vergeten en nog dagenlang op mijn huig zou blijven liggen. Ik verliet het wandelpad en liep een stukje verder het bos in. Plotseling zag ik Langnek met zijn hoofd onder zijn arm achter Sneeuwwitje aanrennen. ‘Takketrut dat je d’r bent!’ riep hij. In zijn buik zat een gat, druppels vleeskleurige massa dropen langs zijn benen. Zo te zien had hij bij Toko Tut de derderangs sushi gegeten. Visgraten vermengden zich met de resten van Langneks smeltende romp.
Sneeuwwitje lachte hysterisch en zwaaide met haar Jawa Ionization Blaster. Langnek minderde vaart, struikelde. Hij schreeuwde en smeet zijn hoofd naar Sneeuwwitje. Het hoofd kwam enkele meters voor haar op de grond terecht en stootte tegen een beukenboom. De takketrut schopte ertegen met haar Timberlands en rende verder.

Mijn maaltijd van die avond kroop mijn slokdarm in. Ik slikte.
Loom en zwaar sloop ik naar het hoofd. De lippen bewogen.
‘Stil maar,’ zei ik. ‘Het komt goed.’
In de verte klonken sirenes.
Zijn ogen waren groot, bloed stroomde uit een wond.
‘Het was … was … is nog niet, nog niet klaar. Jij, ze … ze, ze is … vertel haar …’
‘Ssst.’

Mijn maag trok samen, mijn romp maakte peristaltische bewegingen die ik niet kon controleren. Iets sloot mijn keel af, mijn kaken openden zich.
Roodkapje klom naar buiten. Haar ogen vlamden, uit mijn strot trok ze een Jawa Ionization Blaster.

Anton

Een enorm lijf in trainingspak stapt uit de BMW. De wijsvinger van zijn linkerhand tikt tegen zijn kale hoofd.
‘Ken jij niet sturen? Jij hoort niet op de weg, muts! Mot ik jou effe laten zien waar je gaspedaal zit?!’ Spuug vliegt alle kanten op.
‘Hoe heet jij?’ vraag ik.
‘Dat gaat je niks aan! Ik ben Anton!’
‘Kom eens hier, Anton.’ Ik blaas in zijn neus. We hebben oogcontact, hij kwijlt wat minder. ‘Kom maar even op schoot.’
Anton past nauwelijks in mijn Fiatje. Ik schuif de stoel wat naar achteren en aai hem over zijn bol. Anton steekt een duim in zijn mond.
‘Zo beter?’
‘Mnja … ’
‘Ga nou maar, en niet meer zo boos doen, hè.’
‘Mnja.’

Voornemens

‘En? Ben je aangenomen?’
Kobus trekt een blikje energydrank open en legt zijn voeten op tafel.
‘Voeten van tafel. Hoe vaak moet ik dat nog zeggen. Er blijft ook niets hangen bij jou. Over hangen gesproken, jouw houding kan wel wat actiever. Zo kom je er niet jongen.’
Kobus plaatst zijn onderbenen naast de bank en kijkt zijn vader van boven zijn blikje aan. ‘Toevallig beheer ik binnenkort verschillende projecten, variërend van greenfield-projecten tot uitbreidingen van bestaande investeerders. Als innovatieve scale-up ligt mijn toekomst voor het grijpen.’
‘Nee, dat meen je niet. Dat ik uit jouw mond ooit nog het woord “toekomst” zou horen. Wat ga je precies doen?’
‘Ik lever een bijdrage aan het generieke acquisitiebeleid en vertaal dit naar mijn eigen plannen om zo de doelstellingen te behalen.’
‘Dat zegt me allemaal niets.’
‘Daar slaat u de spijker op de kop’, zegt Kobus. Hij schuurt met zijn rug tegen de leuning van de bank.
Vader neemt een slok van zijn koffie.
‘In jaren zestig-taal, vader, ga ik de verkoop in.’
‘Jaja, wat verkoop je dan, jongen?’
‘Niets.’
‘Ik wist het wel! Je zit hier nu al jaren niets te doen, en het gaat maar door.’ Het schoteltje breekt als vader zijn kopje terugzet.
‘Precies, en ik wil de wereld laten weten dat niets waarde heeft. Niets heeft nut. Niets, en niemand is zich ervan bewust. Ik maak het tastbaar.’
‘Ik wil hier niets meer over horen!’
‘Dat kan, dat is dan negenennegentig euro, en bij afname van drie stuks krijgt u zes procent korting.’

Wijzen Uit Het Oosten 3.0

‘Rabi, gooi die joint weg. In de auto wordt niet gerookt.’
‘Shit man, hoe kom ik anders de tijd door? ’t Is een fucking lange reis, gast.’
‘Houd je hoofd helder en je tempel gezond, Rabi. Als je die troep nu niet vaarwelzegt zal het voor altijd te laat zijn. Je gaat dan sowieso niet mee met ons.’
Gafar zit achter het stuur van de bus. WUHO 3.0 staat in gouden letters op de zijkant.  Achterin staan jerrycans met benzine voor onderweg, en een doos met verschillende soorten wierook.
Rabi haalt zijn tas leeg, met tranen in zijn ogen gooit hij zakjes, tabletten en hennep in de afvalbak naast de speelplaats waar de bus is geparkeerd.
‘En dat flesje, Rabi?’
‘Dat is etherisch, Gafar. Het is mijn geschenk aan die maagd. Een eersteklas volkomen natuurlijk desinfecteermiddel. Echt vet. Gescoord bij een groepje hipsters toen ik van de zomer in Kathmandu was.
Jezus, Kalil, wat ben jij dik geworden, gast.’
Kalil schuift rammelend op om plaats te maken voor Rabi. Gouden kettingen onttrekken zijn djellaba bijna geheel uit het zicht. Hij vouwt zijn handen op zijn buik, die wel vierkant lijkt.
‘Dat is het goede leven, Rabi. Mijn muziekuitgeverij doet het geweldig. De Jerkende Twerkers trekt volle zalen en is de meest gestreamde band van het afgelopen jaar. Ik heb goud in handen zeg ik je, goud.’

Gafar start de bus, de Tomtom is ingesteld op Het Westen.
Onderweg praten Gafar en Kalil over het wonder waar ze naar op weg zijn, de successen van Kalil, Russische investeringsdeals en maagden. Rabi kijkt lodderig voor zich uit, produceert af en toe een ondefinieerbaar geluid, zweet, slaapt. Ze leggen hem achterin. Hij rolt zich op in zijn djellaba en kauwt op zijn baard.
De reis is lang, Kalil en Gafar wisselen elkaar af aan het stuur.
‘Ik vind het een ongeloofwaardig verhaal, dat van die maagd’, zegt Kalil. Als het weer niet waar blijkt te zijn dan …’
‘Jij bent altijd zo achterdochtig. Heb vertrouwen, Kalil. De kans is groot dat er een hemel op aarde bestaat, je leest het deze dagen overal op internet. Straks hebben we er een, nog eenenzeventig te gaan.’
Bij parking De Reerug houden ze een sanitaire stop. Ze duwen Rabi met zijn hoofd onder de koude kraan en hij krijgt pepermunt.

‘Bestemming bereikt’ vertelt de TomTom voor een loods op het industrieterrein van Klein Koterbroek. Er is sneeuw gevallen, de bus staat voor een rolluik dat als vanzelf opent. De wind zingt, een verblindend helder licht schijnt naar buiten.
Jozef en Maria zitten onderuitgezakt naar All You Need is Love te kijken als Kalil de bus naar binnen rijdt. In een hoek van de loods huilt een hongerige pasgeborene.
‘Jezus, wat een lucht hangt hier, gast. Gafar, die wierook komt goed van pas.’ Rabi zet zijn zonnebril op. ‘Mèn, wat is er aan de hand met dat licht?’
‘Ledlampen hè,’ zeg Jozef, ‘het moet zo goedkoop mogelijk allemaal. Gezellig is het niet, dat geef ik toe. Hoe was de reis?’
‘Laat die beleefdheden maar achterwege, Jozef.’ zegt Kalil. Zijn ogen vernauwen zich als hij ziet dat Maria verschrikt haar rok omlaag strijkt. Bij de aanblik van de blaasjes rond haar mond worden zijn ogen spleetjes.
‘Hebben jullie toevallig mirre bij je? We vergaan van de jeuk. Een aanvullende ziektekostenverzekering konden we niet betalen dit jaar, misschien volgend jaar, maar daar hebben we nu niets aan.’
‘Hey mattie,’ begint Rabi, ‘toevallig was ik afgelopen zomer chillen in Kathmandu en …’
‘Ik kijk wel even achterin de bus.’ Onderbreekt Kalil hem. Hij duwt Gafar, die net met de wierook uit de bus komt, opzij en klimt naar binnen. Er is nog meer dan genoeg benzine voor de terugweg.
Onder zijn djellaba zoekt hij de rode knop van zijn bomgordel.