Dagelijkse beslommeringen van een postbode

Na een paar uur kom ik aan bij het eerste postadres van mijn wijk en spot daar mijn collega van PostNL. De wijk waar ik post bezorg ligt aan de overkant van het kanaal, en om daar te komen moet ik deze dagen kilometers omrijden. De dichtstbijzijnde brug is onbereikbaar door werkzaamheden. Het lijkt erop dat mijn buurt wordt afgezonderd van de rest van de stad; men komt er nauwelijks in of uit. Het zal me niet verbazen als ik morgenochtend wakker word en er staat plotseling een muur met prikkeldraad voor mijn huis.

‘Hé, wat gezellig dat ik je weer zie, ’t is anders toch maar een eenzaam beroep hè, postbode.’ De vorige keer dat ik haar zag hebben we gemoedelijk staan roddelen over te lage brievenbussen (Ze heeft hier een klacht over ingediend, ik wist niet dat dat kon, klagen over brievenbussen. Wel over hondenpoep, licht- en luchtvervuiling, kiespijn of je ex), voortuintjes die net geen tuintjes zijn maar wel net te groot om met je fiets doorheen te stiefelen, kliko’s die in de weg staan en meer van dat soort dingen die wij zoal tegenkomen. Vandaag vraagt ze me: ‘Waarom kom jij niet voor ons werken?’ Met ‘ons’ bedoelt ze PostNL, dat moet ik even laten bezinken. Ik zie de organisatie waar ik voor werk niet zozeer als een ‘ons’.  Zo niet mijn collega van PostNL, voor haar is het ‘ons’. Ik moet wat overwinnen voor ik haar vertel dat ik wel eens bij ‘jullie’ heb gesolliciteerd maar dat ‘jullie’ mij niet willen. Zij behoort immers tot die clan die mij niet goed genoeg bevond om brieven in brievenbussen te stoppen. Het voelt een beetje persoonlijk aan, dat ge-ons en ge-jullie. Net of ik bij haarzelf heb gesolliciteerd.
Een vrouw op een fiets interrumpeert ons gesprek. ‘Sorry dat ik stoor, maar ik heb gisteren per ongeluk een postzegel doormidden gescheurd. Ik dacht er helemaal niet bij na. Ik vind het zo erg … ik zal voortaan wat beter opletten.’
‘O dat geeft niet hoor,’ antwoordt mijn collega, ‘volgende keer beter.’ Ze draait zich weer naar mij toe en vertelt dat ze postzegels verzamelt.  ‘Ik heb bij iedereen een briefje in de bus gedaan waarin ik vraag of ze de postzegels voor mij willen bewaren. Postbode zijn heeft zo zijn voordelen.’ Terwijl we staan te keuvelen doet ze een stap naar achteren. ‘Sorry, ik kan niet zo goed tegen wat daar staat, wat jij daar in je handen hebt’.  Ik kijk naar mijn stapeltje post en zie inderdaad een afgrijselijke jurk op de catalogus die bovenop ligt afgebeeld.  ‘Ik bedoel die letters’, zegt ze.
‘O, je bedoelt Sandd?’
‘Ja.’
‘Hahaha!’
‘Wij moeten altijd jullie zooi opruimen, jullie maken er een puinhoop van!’
‘Huh?’
‘Ja, wij zitten nu met al die enveloppen van de ING, die komen bij ons terecht, dat hoort niet en nou zitten wij ermee.’
‘Ach, ik maak me daar niet zo druk om. Ik krijg de post aangeleverd, sorteer het en breng het rond.’ Ik heb niet zo’n zin om me op te winden over dit soort futiliteiten. Ik wil gewoon lekker in het zonnetje buiten lopen. Of straks als er geen zon is, met een dikke jas aan, ook goed. Ze dringt nog eens aan op mijn wisseling van werkgever en ik leg haar uit dat ik het fijn vind om deze wijk te lopen en dat ik dat graag zo wil houden. Het zal mij allemaal een worst wezen. Ik ben zen. Ze werpt tegen dat er bij PostNL geen belasting wordt betaald en bij ‘ons’ wel. ‘Deze wijk loop ík natuurlijk al’ zegt ze, ‘dus ja, die krijg je niet. Ik doe het al tien jaar!’ Ze heeft wel een vette fiets, een veel betere dan de mijne. Die van haar blijft staan als ze haar standaard gebruikt. En ze heeft ook zo’n geinig PostNL-petje. Die heb ik niet. Ze heeft zo’n irritant zelfverzekerde houding die mensen hebben wanneer ze het gevoel hebben dat ze ergens bij horen. Dat heb ik ook niet. ‘Heb jij er nooit over gedacht om in die tien jaar je gebit eens op te laten knappen of een bh aan te schaffen? PostNL doet ook niet aan fitness zie ik wel?’ Kwaad trapt ze weg. Als ik verder ga met mijn ronde ruk ik alle postzegels die de mensen voor haar met een post-it aan de brievenbus geplakt hebben los en rol ze door de hondenpoep.

Wanneer ik klaar ben met mijn werk wil ik over die verre brug terug naar huis, maar die brug heeft nu een storing. Niemand kan ook daar overheen. Mijn voorgevoel klopt, mijn buurt wordt gesepareerd. Ik draai wat rond en besluit een brug te nemen die nóg verder weg ligt. Als ik op mijn fiets stap hoor ik vieze vettige kusgeluiden die me toegesmiespeld worden door een man op een bankje aan het water. Ik ben echt veel te oud voor dit soort toespelingen.
Ik geef hem vanaf mijn fiets een flinke sidekick en werp daarmee een mistwolk van overjarige huidschilfers op waarin ik verdwijn. Net als de weg naar mijn huis.

Advertenties

Lieve mama,

Het is fijn om te zien dat je nog steeds zo hartstochtelijk kunt lachen als ik je Koekiemonster noem. Je had mooie muziek voor ons uitgezocht. Jammer dat wij het niet konden horen, omdat het in je hoofd speelde.
Sorry dat je gebit brak toen Jesse en Jochumpje ermee gingen ringgooien. Ze verveelden zich nogal zonder Wifi. Nou ja, de thuiszorg zal dat wel oplossen.
Tot volgend jaar mam. Dikke zoen.

Op leeftijd

Vier keer vraagt ze me of haar broer nog leeft. ‘Ja, maar tante Bep is wel pas overleden.’
‘Oh ja, dat is ook zo. Ik hou het niet meer bij hè.’
Wanneer ik haar míjn leeftijd vertel gaan de wenkbrauwen van mijn bloedeigen moedertje omhoog.
‘Nee, echt? Zo oud? Zo zie je er helemaal niet uit.’
Nu ik haar dochter weer ben scheur ik in jeugdige sferen naar huis.
‘I won’t pay, no wayayayay’ schreeuw ik met The Offspring mee naar de agenten die me aan de kant willen zetten terwijl ik mijn middelvinger opsteek. Ik word er helemaal vrolijk van.
Enthousiast trap ik, bijna thuis, door mijn koppeling heen. Nu sta ik te wachten op de Pechhulp. Ik hoop dat ze opschieten, mijn geraniums moeten nodig afgestoft worden.

Mag ik op u rekenen?

Brief aan mijn werkgever

Gisteren kreeg ik een enorme stapel post aangeleverd. Daartussen zaten 432 ongeadresseerde folders van de VVD. Nu ben ik niet gewoon om ongeadresseerde post voor u rond te brengen, maar in het kader van de slogan ‘voel de liberaal in u’ was ik bereid hier wat hand- en spandiensten te verrichten.

Ik begon vanmorgen al vroeg. Normaal volg ik op vrijdagochtend liever eerst een Zumba-les. Als ik dans ben ik even helemaal van de wereld en waan ik mij in exotische oorden of ben ik de ster op het podium van Carré. De kou en de miezerregen deren mij daar niet. Ik moet wel goed opletten dat ik in deze staat niet tegen mijn dansleraar aanhuppel. Maar goed, vanmorgen besloot ik al deze geneugten aan mij voorbij te laten gaan omdat er in de middag regen voorspeld werd door Buienradar. En Buienradar, daar kun je op rekenen. Dat klopt op de minuut af.
Ik begon zoals altijd op de van Vollenhovenlaan. Op nummer 327 werd ik vrolijk verwelkomd door de bewoonster die haar post én de flyer persoonlijk in ontvangst nam. Ze bekeek de flyer en zei: ‘Zo, die is blauw.’
Nu hou ik me de laatste tijd verre van politiek. Dat heeft met levenservaring te maken denk ik. Met heimwee denk ik weleens terug aan de tijd dat ik me rimpelloos druk kon maken om uitspraken, debatten en de mens in de politiek. Tegenwoordig is het voor mij allemaal een konkelende pot nat. Toch vroeg ik me onderweg af wat ze nu precies bedoelde. Zou ze Mark Rutte, die in vol ornaat op de flyer afgebeeld staat, hebben betrapt op drankmisbruik? Het lied ‘Blauw’ van de Scene uit de jaren tachtig kreeg ik onderweg niet meer uit mijn hoofd. ‘Blauw, blauw, blauw, keer ik terug naar jou …’ Wat bedoelt Thé Lau hiermee? In het licht van mijn bezigheden in Amsterdam toentertijd bezien denk ik dat hij, toen hij dit componeerde, regelmatig stomdronken bij zijn vrouw kwam aankakken. Het kan ook zo zijn dat er een diepere poëtische betekenis in de tekst verborgen zit, maar ik ben niet zo goed met poëzie. Enfin, ik vertelde de mevrouw dat ik alleen maar de folders rondbreng: ‘Don’t shoot the messenger.’

Zelf heb ik een Ja/Nee-sticker op mijn brievenbus. Gisteren kreeg ik desondanks een flyer van de SP door mijn strot geduwd. Kwaad gooide ik het ding direct in de papierbak; ik vind dat er wel wat meer rekening met het milieu gehouden kan worden.
Ik kwam vanmorgen ook aardig wat Ja/Nee-stickers tegen (tot ik in de betere buurt kwam, daar zie je ze zelden). Ik werd zelfs een beetje trots op mijn mede-stadsbewoners. Terwijl ik fantaseerde over een paradoxale theorie, die ik zelf heel grappig vond, om bij iedereen ongevraagd een Nee/Nee- en een Ja/Nee-sticker in de brievenbus te stoppen, vooral bij mensen zoals ik die zich jarenlang ergeren aan de stortvloed van ongeadresseerde post maar ondertussen te lui zijn om zo’n sticker op de deur te plakken en bij dat soort mensen dan ongevraagd stickers in de brievenbus te stoppen, merkte ik dat ik niet goed op liep te letten en al gniffelend flyers in brievenbussen met een sticker erop stopte. Hier zouden dus klachten over kunnen komen.
Ik besloot wat beter op te letten, elke keer als ik in mijn ooghoek het vrolijke groen en oranje signaleerde liep ik dat huisje stilletjes voorbij.
Bij het Cobbenhagecollege aangekomen leerde ik dat dit ook niet de manier is. Ik dacht daar zo’n sticker te zien, maar bij nadere inspectie bleek de sticker daar niet te gaan over post, maar over huiswerk en lesuitval. School, de aangewezen plek waar de gevaren van verneukerativiteit onder de aandacht gebracht dienen te worden.

Hoe blijer ik werd van de aanwezige stickers, des te kwader werd ik op de kleppen zonder sticker. Ondertussen begon het ook nog eens te regenen. ‘G%$#@! Je wordt in dit kutland ook aan alle kanten genaaid!’ dacht ik terwijl ik nog een slappe natte Rutte in een gleuf stopte. Ik had evengoed lekker aan het dansen kunnen zijn, maar nee, hier liep ik blauwbekkend natte ongewenste flyers in brievenbussen te stoppen. Ik haatte Buienradar, Mark Rutte, mijn fiets en sommige brievenbussen. Wat die brievenbussen betreft, de meeste brievenbussen, daar is echt niet over nagedacht. Regelmatig kom ik brievenbussen tegen die er van buiten heel ontvankelijk uitzien, net als de VVD, maar wanneer je er dan info in wilt stoppen blijkt dat de wezenlijke opening, aan de binnenkant, weerstand vertoont. Van binnen zit er iets wat de boel frustreert. Er is nauwelijks een doorgang te vinden achter de opgepoetste buitenklep, de belofte van ontvankelijkheid blijkt een leugen. Daarom is er hier en daar wat post halverwege de brievenbus blijven steken. Hier zouden ook klachten over kunnen komen.

postklein

Al ploeterend en mopperend kreeg ik ruzie met mijn fiets die, omdat de tassen zo zwaar waren, niet behoorlijk wilde blijven staan. Laatst was ik met die fiets bij de fietsenmaker om er een slot op te laten zetten, en daar stonden ze met werkelijk vier man om mijn fiets heen keihard te lachen toen ik vertelde dat ik hier post mee rondbreng. Er is iets met de voorvork, die schijnt krom te zijn. Ik zie het niet maar zij zagen het wel. Dat ik er een mandje op wilde hebben werd afgeraden. Een paar dagen later ben ik incognito via de andere ingang van de fietsenwinkel toch een mandje gaan halen.
Vandaag had ik ook een hekel aan mijn fiets. Ondanks dat ik op mijn fiets moet letten van u, heb ik de fietsenmakers- en weergoden en de postbezorgersbeschermheiligen uitgedaagd en getart door nergens mijn fiets op slot te zetten. ‘Ik hoop dat je gejat wordt’ beet ik hem toe. Dat is niet gebeurd. Ik weet niet wie er als winnaar uit de bus is gekomen.
Op de Sweelincklaan kwam ik een collega van Post NL tegen. Hij deed zijn ronde in een rammelende Ford K. Ik heb het idee dat hij beter betaald krijgt dan ik. ‘Het kost wat, maar zo blijf ik wel lekker droog’ vond hij.

Na een uur stopte het met regenen. Ik kwam aan in het kamp aan het eind van de Sweelincklaan. Daar heeft iedereen honden. Op nummer twaalf hebben ze sinds kort zo’n hond met een bek waarvan je vermoedt dat een hondentandtechnicus daar een berenval in heeft gemonteerd. De post voor nummer twaalf stop ik meestal in de brievenbus bij nummer zestien. Hier gaan geen klachten over komen. De eigenaar van deze hond heeft me met omfloerste stem verteld dat hij dat niet erg vindt omda ’n diee heul gère schone vrouwkes vat. Vandaag zag ik daar een vrouw de stoep natspuiten wat raar was, want het had net geregend. De hond zag ik even niet en ik besloot dapper een verlepte flyer in haar brievenbus te stoppen. Plotseling dook de hond vanuit het niets op me af en ik zeek in mijn broek. Dat merkte niemand, ik was toch al kleddernat door mijn natte fietszadel, waar wat gaten inzitten zodat het als het regent een zompige spons wordt.

Wat ik hiermee eigenlijk wil stellen is de vraag die Mark ook stelt op zijn flyer, ‘mogen we op u rekenen?’ Je zou zeggen dat de regering daar een rekenkamer voor heeft dus eigenlijk is dat flauwekul. Maar als ik ga rekenen zie ik dat er iets niet klopt. Ik zie op de planning staan dat ik 347 poststukken moest rondbrengen, maar ik had, buiten de gangbare liefdes- en belastingbrieven ook nog 432 flyers te bezorgen. Wat schuift dat?

Al met al vond ik het heel leuk om deze keer eens werkelijk elke gleuf in mijn wijk af te werken, op zijn Tilburgs dan. In good old Amsterdam zou deze uitspraak een hele andere lading dekken.

 

Be middelbaar

Onlangs is mijn moeder bijna honderd geworden. Om precies te zijn 92, op die leeftijd is dat bijna honderd. Ikzelf ben middelbaar, dat is in deze berekening iets over de helft van bijna honderd. In verschillende levensfases zweet een vrouw ’s nachts om verschillende redenen. Ik heb de laatste fase achter de rug, en dan ga je toch iets missen. Substitutioneel zweten doe ik tegenwoordig overdag, in de sportschool. Wil ik ’s nachts nog zweten? Ik ging op onderzoek uit.

Informatie die ik vond over de bijna oude vrouw is dat ik mijn middelbare punani regelmatig moet bekijken met een leuk spiegeltje. Zo’n leuk spiegeltje moet ik kopen, want ik heb geen leuk spiegeltje. Ik krijg geen beeld bij leuke spiegeltjes, en vraag me af waarom een spiegeltje waarmee ik mijn punani ga bekijken persé leuk zou moeten zijn. Uiteindelijk gaat het om de inhoud, niet het uiterlijk. De punani krijgt, in tegenstelling tot de rest van je lijf, geen rimpels. Het haar erop verandert dan weer wel van samenstelling. Dat heb ik gezien, daar heb ik geen spiegeltje voor nodig. Er wordt geadviseerd om op hogere leeftijd dat haar te waxen in bad of onder de douche. Dat is minder pijnlijk. Waxen? Geen haar op mijn punani die daaraan denkt.
Verder wordt geadviseerd de punani gewoon bij de naam te noemen: vagina.
Het siert de oudere vrouw om het hoofdhaar kort en pittig te dragen. Mijn haar is al jaren bijna lang. ‘Bijna’ is een constante factor sinds mijn conceptie. Mijn haar wordt gewoon niet langer. Ik houd van het gevoel van mijn bijna lange haar tussen mijn schouderbladen in de zomer, als ik mijn nog rimpelloze rug niet heb ingepakt.

En dan is er de hamvraag: Ben ik bemiddelbaar? Ik stelde een contactadvertentie op voor in de plaatselijke courant:
Bijna gezellige spontane lieve vrouw die bijna overal voor open staat, dol op: gras, avocado’s, kip, bomen, de geur van paardenmest, woorden, hele zinnen, haar, rust en met rust gelaten worden, houdt niet van: gezeur, teckels, pop-ups, katten, te veel aftershave, masculien gedrag, gedrag in het algemeen, de meeste mensen, de meeste dieren, doordrammen, stof, afstoffen, romantiek met van die ranzige Franse stinkkaas en kaarslicht zonder leesbril en met wijn, saai, druk, leuke spiegeltjes, herrie, te lange stiltes, genegeerd worden en bellen zoekt een leuk spiegeltje. Wil jij dat zijn?
En wat ík daar dan mee wil weet ik nog niet zo goed.

Fijne vrouwendag.

Een doodnormale dag in een rijtjeshuis

Melissa gilt, Jeffrey bonkt met zijn hoofd tegen de muur, de hond blaft zenuwachtig.
Ria zet de tv op vijfendertig.
Ik zoek een onlangs gedownloade compositie op mijn Ipod en zet hem aan. Langzaam voer ik het volume op. 
Een sponzige luchtstroom trekt zichtbaar het gegil en gebonk de speakers in. Melissa en Jeffrey zijn nu figuranten in een holografische stomme film. Ria zoekt nieuwe batterijen voor de afstandsbediening, de hond druipt af.

Mijn telefoon licht op, er is een appje van de buurman.
‘Wil je je stilte wat zachter zetten? Ik kan hier niet eens behoorlijk een gesprek voeren.’

© 03-01-2018

Niemand

Auto’s zoeven voorbij. Mensen lopen langs, de oren afgesloten, de blik in bits en bytes. Ze zit er onzichtbaar. Ze komt nergens vandaan, haar verleden heeft ze verdelgd. Haar hoofd is nu heel even leeg.
Als ze hier is, is er een valse herinnering aan vage verbondenheid en rokerige passie.
Milenka wacht.

Jos zet houterig zijn fiets op slot. Zijn orthopedische schoenen zijn zwaar, zijn heup doet pijn door het fietsen. Deze dag heeft hij weer minder productie gedraaid dan gisteren. Hij verlangt ernaar zijn bong te roken.

‘Milenka ga weg, it’s over’ zegt hij met zijn langzame woorden.
Haar zwarte ogen lichten op als ze zijn warme stem hoort.
‘Jos, ik moet bij je zijn, even maar. Let me in.’
Haar magere lijf komt overeind. In haar trainingsbroek zitten vlekken van de afgelopen nachten. Haar mond is droog.
‘Waar was je?’
‘Op mijn werk Milenka.’
‘Really? Ik geloof je niet. You was with her.’
‘Milenka, ik ben moe. Laat me met rust. We talked about this.’
Hij hompelt naar zijn voordeur en opent die. Milenka schiet voor hem langs naar binnen.
Een zucht ontsnapt hem. ‘Oké, we drinken iets in de tuin, but then you must go.’
Het gesprek gaat moeizaam, zoals altijd na die eerste week. Zij verwijt en smeekt, hij ontkracht, verzacht en dringt niet tot haar door.
‘But I love you, and you love me’ zegt Milenka.
‘We hebben geen future together, you know that. Take care of yourself, go to rehab.’
Jos’ pijn verergert. Hij wil opstaan, maar zijn linkerbeen wil niet buigen.
‘I can help you, you see? Ik ben hier, zij niet. Ik pak jouw bong, I know you need it.’
‘Er is niemand anders Milenka.’

Milenka loopt naar de keuken. Naast de keukendeur staat een bezem. Met een katachtige beweging draait ze zich om en lispelt: ‘If I can’t have you, nobody has you.’
Jos draait zijn hoofd om haar aan te kunnen kijken en ziet Milenka met haar gezicht in een krankzinnige grimas, de bezem in haar handen. Zijn lichaam reageert met een spastische beweging; met stoel en al valt hij om.
‘Nobody has you, nobody has you!’ Haar armen zwaaien boven haar hoofd, de bezem daalt.

 

© Stella Matula 09-12-2017