Spel

Gisteren was ik morgen oud
vandaag morgen de bruid

huiver om naar bed te gaan
daar wacht een open boek en wat
wat als alles uit is?

Advertenties

Dieet

Ik mag van de dokter
alleen nog maar poep
gekruid met wat whiskey,
soms trapmattensoep
met roeibotenmousse en zombieknie
als toetje gestoomde
veldhospita
op een bedje van rozen
uit Ghana.

’t Is goed voor mijn darmen,
mijn hart en mijn hoofd,
‘t zal louterend werken
zo heeft hij beloofd.

Op een blauwe maandag
rum uit een kruik
met paars-roze rupsen
garandeert vlinders in mijn buik.

Ik ben koning in mijn keuken
met schalen van eik en pannen van beuken.
Gezeten op kasten
het bord vóór de kop
eet ik tien dagen lang
er een vinger bij op.

Het zingen verleerd

Een merel zingt
op een scheiding van beton
was ik maar die vogel, kende ik zijn lied
niet wat mensen zeggen, weten wat ze zijn

Een fluitend bestaan, onbewust van de duur
vliegen van boom naar boom
soms naar een muur

Een leven lang luisteren naar elke zeur
nagels lakken benen scheren
plannen maken weerstand keren

liever een vogel, al duurt het een uur.

Dag

Mijn zoon, jij was daar niet
toen ik afstand nam
van alles, van leven
van pijn, mij als man

Je was jong je speelde
je lachte je dacht
aan cola bij mama
aan mij elke nacht

Waarom toch die afstand
jij daar en ik niet
Waarom toch niet anders
geen benul van verdriet

Ik kon het niet dragen
jouw afwezig zijn
je zus en je mama,
dag lieverd, blijf klein.

Dat komt binnen

Als de bel gaat doe ik open,
zei hij stoer en vastberaden,
vanachter zijn designerbank,
de handen voor zijn ogen.
Ze zien me niet, ze zien me niet,
riep hij dan door het raam.
De postbode liep zijn huis voorbij
en niemand belde aan.
Hij gluurde door de brievenbus,
nog steeds met ogen dicht.
Die ochtendkrant van zaterdag,
benam hem toen het levenslicht.

Onbebouwde kom

Maak het schraal bestaan
zichtbaar in mijn denken
geef me een idee
al is het maar een kleintje

Breng me een bouquet van groei
wakker mijn verlangen
beroer me met emotie
al is het maar een kleintje

Toon me het begrijpen
een schilfer van dat licht
vul mijn holle zijn met ziel
al is het maar een kleintje

Vertel me over samen
over ons wij alles iedereen
bezorg me een woord
al is het maar een kleintje.

De eikel

eikel

Er was eens een eikel
die lag in het bos
Hij rolde door zand, egelpoepjes
en mos

Wat lig ik hier lekker
dacht eikel tevree
Daar heb je er nog een
Nu ben ik met twee

Twee eikels vermaakten zich
tot bloedens toe
Ze speelden, ravotten
nooit werden ze moe

Hoe kon het ook anders
Ze hadden geen hart
Het waren slechts eikels
Die kennen geen smart.